Logo Glacialen  


Een Zoektocht Naar De Oudste Beschavingen.


 
WWW.DJEDFORCE.NET
 
  Home
 

2 - De Glacialen en interglacialen.

De afwisselend kleine ijstijden en de warme perioden daartussen.

Eerste versie augustus 2008.

Etmalen van 72.000 jaar, met dag- en nachtperioden van elk 36.000 jaar. Wil dit zeggen dat het 36.000 jaar licht was en 36.000 jaar donker? Uiteraard niet, de nacht staat niet alleen voor de donkere periode van een etmaal maar ook voor de koudste. In de legende van de Kali Yuga zitten de  gegevens verweven van de afwisselend warme perioden en de ijstijden. Het Pleistoceen, dat in zijn geheel gezien moet worden als een ijstijdvak, heeft meerdere koudere perioden gekend waarin de ijskappen groeiden en de zeespiegel daalde. Deze perioden noemen we glacialen. Daartussen zaten warmere perioden waarbij de ijskappen terugtrokken tot de poolgebieden, de interglacialen genoemd.

Glacialen - Tabel 1
De Kali Yuga, 6 perioden van 72.000 jaar.

Blijkbaar verwijst de Kali Yuga grofweg naar de glacialen in de voorbije 432.000 jaar, tot en met het einde van de laatste ijstijd zo’n 16.000 jaar geleden (dit is een onnauwkeurige bepaling omdat de Kali Yuga werkelijk eindigde in 3.102 v.Chr., we komen daar later nog op terug). Het gaat hem bovendien om scherp afgelijnde perioden van 36.000 jaar warm en daarop volgend 36.000 jaar glaciaal. Het straffe omtrent deze mythische legenden is het feit dat deze cyclus echt bestaat. Nu pas beginnen we te beseffen dat die legenden veel waarheden bevatten over zaken die wij nog moeten ontdekken.

Het cyclische karakter van de afwisselende glacialen en interglacialen zijn omstreeks 1920 eigenlijk voor het eerst bestudeerd en berekend door de Servische wiskundige Milutin Milancovitch. De oorzaak ervoor moest volgens hem gezocht worden in de  bewegingen van onze aarde ten opzichte van de zon. Er zijn drie schommelingen die daarvoor in aanmerking komen.
1 - De precessie, met een periode van 26.000 jaar.
2 - De stand van de aardas ten opzichte van de zonnestraling, periode van 41.000 jaar.
3 - De mate van ellipsvormigheid van de omloopbaan van de aarde, deze wijzigt van bijna cirkelvormige- naar een meer
uitgerekte elliptische baan, periode 100.000 jaar.

In de  loop der jaren werd het onderzoek van Milancovitch uiteraard verder gezet en in 1970 heeft Wally Broecker de theorie van de “zaagtandcyclus” naar voor gebracht en ook bewezen. Deze theorie wordt nu vrijwel algemeen aanvaard.

Wallace Smith Broecker (Wally) – Geboren 1931 – Universiteit van Columbia.
In 1970, hebben Broecker en zijn student Jan van Donk het thema “mode switch” uitgewerkt en hun hypothese bewezen in verband met de plotse overgangen van perioden met maximum ijsafzetting naar de volgende warme periode. Ze hebben 6 dergelijke overgangspunten kunnen identificeren in de voorbije 440.000 jaar. Deze overgangspunten vormen 5 volledige cycli over de laatste 400.000 jaar, met een gemiddelde duur van 80.000 jaar per cyclus [1].
Met zijn werk heeft Broecker aangetoond dat de hoofdcyclus van de glacialen in het Pleistoceen ruwweg 100.000 jaar lang zijn. De ijsopbouw in de koude periode verliep telkens langzaam,  het smelten in de warmere periode verliep steeds abrupt, dit patroon wordt dus nu omschreven als de “zaagtandcyclus” [1].

Een zaagtandcyclus met 5 volledige cycli over 400.000 jaar of “bijna” zes volledige cycli in 440.000 jaar. Dat klinkt uiteraard als muziek in de oren, dat schoentje past perfect mogen we wel zeggen. Dat Broecker meer de neiging had die cyclus op 100.000 jaar te schatten moet gezien worden als een poging die zaagtandcyclus in verband te brengen met de algemeen geldende cycli die Milancovitch eerder had berekend. Er was slechts één periode in de Milancovitch theorie, deze van 100.000 jaar, die in min of meer in overeenstemming kon gebracht worden met de 80.000 jaar uit de zaagtandcyclus. Nu pas begint het te dagen dat Broecker in feite dé belangrijkste cyclus in de glacialen heeft vastgesteld.

Broecker heeft slechts 5 complete cycli vastgesteld, met 6 overgangspunten. Ook het volgende overgangspunt is nodig om zes volledige cycli te kunnen onderscheiden, tussen 7 overgangpunten zitten 6 cycli. Dat waren perioden van 80.000 jaar, grofweg 40.000 jaar koud en daarna 40.000 jaar warm. De vorige periode was glaciaal, nu zitten we terug in een warme periode van 40.000 jaar en dit sedert het einde van de laatste ijstijd, zo’n 16.000 geleden. Volgens de theorie van Broecker hebben we theoretisch dus nog 40.000 – 16.000 = 24.000 jaar te goed. Na de volgende ommekeer zal ook de zesde cyclus compleet zijn. Theoretisch zou die overgang ook weer zichtbaar moeten worden in de ijsafzettingen. Of er echter ooit nog ijs zal gevormd worden is zeer twijfelachtig.

Broecker ging uit van 6 cycli van gemiddeld 80.000 jaar wat in totaal neerkomt op 480.000 jaar, wij vertrekken hier van de mythische Kali Yuga waar het blijkbaar gaat over 6 cycli van 72.000 jaar, een totaal dus van 432.000 jaar. Dit maakt een verschil tussen beide van 48.000 jaar of 8.000 jaar per cyclus, de waarheid zal waarschijnlijk wel ergens tussen die beide waarden liggen.


Glacialen - Tabel 2

In bovenstaande tabel zijn alle gegevens nog eens op een rijtje gezet. Vanwege het feit dat Broecker plotse overgangen heeft aangetoond is de grafiek enigszins scherper getekend waardoor de zaagtandfiguur beter tot uiting komt. In werkelijkheid ziet de curve er ook zo uit. Perioden van 40.000 jaar waar het veel kouder is en veel ijs wordt opgebouwd tot een maximum op het einde van die periode. Dan volgt plots een veel warmer klimaat en het ijs smelt enorm vlug af, toch duurt dit nog een paar duizend jaar eer het ijs bijna helemaal is verdwenen en de planeet in zijn geheel is opgewarmd. Nadien volgt nog een periode dat de aarde warm en vrijwel ijsvrij blijft. Die strakke omlijning van 2 X 40.000 zal in de realiteit in de ijslagen veeleer te zien zijn als perioden met een 45.000 jaar glaciale-  en een 35.000 jaar warme periode. Het is akelig te moeten vaststellen dat mythen van duizenden jaren geleden vrij nauwkeurig feiten weergeven die wij nog maar pas hebben (her)ontdekt. Nu pas beginnen we deze mythen te doorgronden omdat we eindelijk ontdekken waarover het gaat.

De Milancovitch parameters, die in verband staan met de schommelingen van de aarde zijn bewezen en meetbaar, daar kan geen twijfel over bestaan. In die aardse schommelingen is echter nergens een factor aanwezig die de plotse ommekeer van een warme periode naar een ijstijd, of omgekeerd, kan verklaren. Deze cycli duren respectievelijk 26.000, 41.000 en 100.000 jaar, het zijn traag voortschrijdende bewegingen waarbij géén sprake is van een abrupte ommekeer van het klimaat. Er zal ergens wel een extreem maximum optreden als de top van de drie cycli op hetzelfde moment samenvallen en daardoor mekaar versterken, maar ook dan kan er geen sprake zijn van een plotse ommezwaai. De veranderingen die deze cycli teweeg brengen zijn meetbare schommelingen binnen die glacialen zelf. Het probleem is echter dat deze schommelingen niet de glacialen in zijn geheel verklaren, daar is meer voor nodig al zal de wetenschap dit resoluut tegenspreken. In feite is de zaagtandcyclus uit Broecker’s theorie de enige factor die het plotse karakter van de overgangen tussen de glacialen en interglacialen aantoont. Die cyclus moet de hoofdcyclus zijn en hoeft dus zeker en vast niet uitgelegd worden met de Milancovitch parameters. Alleen, de zaagtandcyclus werd wel aangetoond maar de oorzaak voor deze werd nog niet bewezen.

Home

____________________________________________________________________

Verwijzingen bij hoofdstuk 2.

[1] - The Ice Ages.
        Link naar de Website van de universiteit in Californië - San Diego.
        http://earthguide.ucsd.edu/virtualmuseum/climatechange2/03_1.shtml

Home