Logo Groene Kristallen Smaragd op Calciet  


Een Zoektocht Naar De Oudste Beschavingen.


 
WWW.DJEDFORCE.NET
 
  Home
 

20 – Groene Kristallen.

Een mogelijke verklaring voor de immense bouwstenen in de piramiden?

Eerste versie 18 april 2009.

Voor de bouw van de piramiden werden hoofdzakelijk kalksteenblokken gebruikt.
De basis van kalksteen is Calcium, dit is een scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20. Het is een zilverwit aardalkalimetaal. Calcium is een lithofiel element, dat in de Aarde vooral in de korst voorkomt, die ongeveer voor 4,15 gewichtsprocent uit calcium bestaat. Door de reactieve eigenschappen komt het niet in ongebonden toestand voor. Bekende mineralen waarin calcium voorkomt zijn calciet (calciumcarbonaat), gips (calciumsulfaat) en fluoriet (calciumfluoride). Opgelost calcium in de oceanen wordt door diverse organismen gebruikt om hun skelet uit op te bouwen in de vorm van de mineralen calciet en aragoniet. Als deze organismen sterven bezinken hun skeletjes naar de bodem om daar sediment te vormen. Calciumrijke sedimenten worden alleen in ondiepere zeeën, zoals op het continentaal plat, gevormd. Als kalksediment lithificeert wordt het kalksteen.

Lithificatie is het proces waarmee een ongeconsolideerd sediment verandert in een vast gesteente. Lithificatie is een onderdeel van diagenese en beslaat de natuurlijke processen cementatie en mogelijk compactie, metasomatisme en uitlogen. Fysisch gezien zorgt lithificatie ervoor dat de porositeit van het gesteente verdwijnt door compactie en cementatie. Het neerslaan van cement lijmt als het ware de klasten in het gesteente aan elkaar, waarbij de poriën langzaam opgevuld raken. Compactie (het toenemen van de dichtheid van het gesteente) kan plaatsvinden doordat de klasten dichter tegen elkaar aan gaan zitten of door drukoplossing.

Cementatie is een proces waardoor de poriën in een sediment dichtgegroeid raken door de neerslag van bepaalde mineralen. Zoals bij elke neerslagreactie vormen deze mineralen (bekende voorbeelden zijn calciet, aragoniet en kwarts) kristallen, meestal te klein om met het blote oog te zien. Het gevolg is dat de losse deeltjes (klasten) waaruit het sediment bestaat aan elkaar gekit raken en het sediment consolideert.

Consolidatie is een proces waarbij sedimenten of bodems onder hun eigen druk inkrimpen. Als eindresultaat kan het sediment uiteindelijk worden omgevormd tot een sedimentair gesteente.

Cementatie in carbonaatgesteente met aragoniet of calciet?
In ondiep zeewater kan relatief veel calciumcarbonaat (CaCO3) opgelost zijn. Daardoor kan er zowel calciet als aragoniet neerslaan in de poriën van sediment. In riffen en ondiepe zeeën bestaat het cement vaak uit een mengsel van aragoniet- en calcietkristallen. Als de klasten kalkskeletjes van organismen zijn, kan het mineraal waaruit deze zijn opgebouwd een belangrijke rol spelen. [Bron Wikipedia, de vrije encyclopedie].

Met het onderzoek op gesteenten belanden we uiteraard in het vakgebied van geologen maar zeker ook in dat van de scheikundigen. Voorgaande gegevens hebben we kunnen terugvinden op Wikipedia en het moet gezegd worden dat het een vrij ingewikkelde wetenschap is, scheikunde is niet simpel.

In eenvoudige taal komt het erop neer dat kalksteen een afzettingsgesteente is dat bestaat uit kalkhoudende fossielen, resten van zeedieren die gezonken zijn op de bodem van ondiepe zeeën. Door de druk van het water en het eigen gewicht van de afzettingslagen werd het water en de luchtbellen uit die lagen geperst waardoor een vrij compacte massa ontstond. Door het zeewater werden (calcium)mineralen aangevoerd die de poriën in die massa hebben opgevuld (cementatie), het geheel ging samenklitten tot kalksteen.

In de nu volgende tekst zal u niet direct een verband kunnen vinden met het gebruik van kalksteen bij de bouw van piramiden, we komen er later in dit hoofdstuk nog op terug. Wat we wel al kunnen meegeven is dat we in verband met het werken met natuursteen geen onderscheid maken tussen de verschillende continenten. We gaan er gewoon van uit dat beschavingen van verschillende continenten regelmatig met elkaar in contact kwamen, dat ze er geen moeite mee hadden om oceanen over te steken. De technologieën die men in Oud Egypte kende werden eveneens toegepast in Amerika en omgekeerd. Dit staat lijnrecht tegenover de huidige visie op onze geschiedenis, vanuit Europa zou het vasteland van Amerika pas omstreeks 1519 voor de eerste keer zijn bezocht. Er zijn echter in Amerika tientallen aanwijzingen te vinden dat dit continent veel eerder ontdekt werd, al deze tekens worden echter genegeerd. Daar denken wij dus heel anders over.

----------------------------------------------------------------------------------
   
Op 4 maart 1519 landde Hernán Cortés met 11 schepen en 600 man op de kust van Mexico en nam onmiddellijk de stad Tabasco in. Binnen de kortste keren was het de Spaanse bezetter gelukt alle inheemse beschavingen van de kaart te vegen. De Spaanse bezetter verwoestte vrijwel volledig alle culturen van Midden Amerika. Door hun toedoen weten we zo goed als niets meer van de vroegere Midden-Amerikaanse beschavingen.

Graham Hancock [1] haalt zo’n voorbeeld aan van die zinloze verwoestingen:
[Hancock] – Wat was bijvoorbeeld de geschiedenis van het gloeiende “afgodsbeeld” dat zich bevond in de tempel van Achiotlan, de hoofdstad van de Mixteken? {ca. van 1100 tot 1500 n.Chr. en opgevolgd door de Azteken}. Wij kennen dat voorwerp uit de geschriften van een ooggetuige uit de zestiende eeuw, vader Burgoa:

“Het materiaal was van wonderbaarlijke waarde, want het was een smaragd zo groot als een dikke pepervrucht [capsicum], waarop met grote vaardigheid een kleine vogel was gegraveerd en een kleine slang, opgerold en klaar om toe te slaan. De steen was zo doorzichtig dat hij vanuit zijn binnenste oplichtte met de helderheid van een kaarsvlam. Het is een bijzonder oud juweel en er is geen enkele overlevering met betrekking tot de herkomst van zijn verering en eredienst.” (Spence [2] )

Wat zouden we te weten kunnen komen wanneer we dit zeer oude juweel vandaag zouden onderzoeken? We zullen het nooit weten omdat frater Benito, de eerste missionaris van Achiotlan, de steen van de Indianen afnam. “Hoewel een Spanjaard er drieduizend dukaten voor bood, liet hij de steen vermalen, roerde het poeder in water, goot het mengsel op de grond en vertrapte het.” (Spence [2] ) [GH]

Niet dat we uit vorig verhaal veel wijzer kunnen worden maar het lijkt er sterk op dat de Spaanse bezetter inderdaad alles heeft vernietigd wat hij op zijn weg tegenkwam. Een hele grote smaragd vermalen tot poeder om het daarna weg te gieten op de grond kan inderdaad beschouwd worden als pure verspilling en vernielzucht. Zo zijn er wel meer voorbeelden op te sommen, blijkbaar hebben de Spanjaarden indertijd de bedoeling gehad de in hun ogen duivelse beschavingen volledig uit te roeien. 

Home

Voor de bouw van de piramiden werden stenen uitgehakt in de kalksteengroeven in de onmiddellijke omgeving van de piramiden en ook in de groeven van Tura aan de andere kant van de Nijl. We willen daar een uitzondering aan toevoegen, het grootste deel van de stenen werden inderdaad uitgehakt maar we durven te stellen dat de Oud Egyptenaren ook nog een of ander procedé kenden om kalksteen op een synthetische manier te vervaardigen zoals wij nu betonblokken gieten of bakstenen vormen uit natte klei. We zijn zeker niet de eersten die dit beweren, dat idee is origineel zelfs afkomstig van wetenschappers maar archeologen leggen de aanwijzingen blijkbaar naast zich neer.

Deze hypothese van gerenommeerde wetenschappers is Erich von Däniken niet ontgaan en hij heeft er dan ook de nodige aandacht aan gehecht. Zoals al eerder vermeld heeft men aan dat ene boek van deze auteur [3] genoeg om het mysterie rond de piramiden op te lossen. We gaan dus nog maar eens te rade bij hem om te vernemen waar het hem nu juist over gaat.

[Erich von Däniken] Volgens professor Davidovits, directeur van het instituut voor toegepaste archeologische kennis aan de Barry universiteit in Miami (VS) hebben de Egyptenaren hun stenen voor de grote piramiden niet uit Aswan of een andere steengroeve betrokken. Ze hebben ze ook niet met draailieren naar boven gehesen maar hebben ze gewoon ter plekke gegoten, net als beton.
In het jaar 1889 ontdekte de Egyptoloog  C.E. Wilbour op Sehel, het kleine eiland in de Nijl, een stèle met hiërogliefen. Sehel is nu nog een van de weinige plaatsen in Egypte waar de oude goden op prachtige rotstekeningen zijn vereeuwigd. De inscripties werden in de vorige eeuw door de archeologen Brugsch, Pleyte en Morgan vertaald en in 1953 opnieuw door de Franse egyptoloog Barquet ontcijferd. Ze zijn het er allemaal over eens dat de hiërogliefen op de zogenaamde “Famine-stèle” uit de Ptolemaeïsche tijd (omstreeks 300 v.Chr.) dateren, hoewel de tekst betrekking heeft op een periode van duizenden jaren daarvóór. Van de in totaal 2.600 hiërogliefen op de stèle hebben er 650 betrekking op synthetische vervaardiging van bouwstenen. Die kennis zou de Oud Egyptische scheppingsgod Chnoem de bouwer van de eerste piramide, farao Zoser (2609 – 2590 v.Chr.) in een droom hebben ingefluisterd. Dat moet een bijzondere droom zijn geweest, want Chnoem dicteerde de farao een lijst van maar liefst negenentwintig mineralen en verschillende natuurlijke chemicaliën en toonde hem bovendien de in de natuur voorkomende bindmiddelen waarmee de synthetische steen moest worden gemengd. Niet alleen Zoser, de bouwer van de trappenpiramide in Sakkara, kreeg dergelijke boodschappen maar ook zijn hoofdarchitect Imhotep.

Op de kolommen 6 tot 18 van de Famine stèle worden de ingrediënten voor de productie van dit beton genoemd, compleet met de plaatsen in het gebied waar ze te vinden zijn. Na deze goddelijke aanwijzingen mengde Imhotep uit natriumcarbonaat (soda) en aluminiumsilicaat (klei) een brij die met silicaten en aluminiumhoudend Nijlslib werd aangevuld. Door de toevoeging van arseenhoudende mineralen en zand ontstond een sneldrogend cement, met dezelfde moleculaire verbindingen als natuursteen.

Op het tweede Internationale Egyptologencongres, dat in 1979 in het Franse Grenoble werd gehouden, vertelde de chemicus dr. D. Klemm over zijn proeven met piramidestenen. Dr. Klemm en zijn medewerkers hadden in totaal twintig verschillende steenmonsters van de piramide van Cheops geanalyseerd. Iedere steen afzonderlijk bevatte bestanddelen uit alle streken van Egypte. Een natuurlijk brok graniet heeft in het algemeen een zeer dichte en homogene structuur, de blokken die dr. Klemm had onderzocht waren aan de onderkant veel dichter dan aan de bovenkant en bevatten bovendien te veel luchtbellen.
Toen prof. Joseph Davidovits steenmonsters van de Cheops piramide onder de microscoop legde ontdekte hij sporen van een menselijk haar en later zelfs een steen met daarin een compleet haar van 21 cm lang. [EvD]

Kalksteen werd gevormd miljoenen jaren voor de komst van de mens, hoe kan er dan een mensenhaar in een kalksteen zitten? Dat de hypothese van Davidovits werd verworpen komt mogelijks door het feit dat de kalksteenblokken in de piramide van Cheops bestaat uit echte natuursteen zonder enige toevoeging van een soort “cement”. Ondanks het feit dat in éénzelfde monoliet brokstukken kalksteen werden aangetroffen die uit meerdere regio’s van Egypte afkomstig waren, was dat kalksteenblok in zijn geheel een natuursteen zonder enig spoor van cement.

We hebben zo’n vermoeden dat de hypothese in verband met het produceren van natuursteen sterk moet afgezwakt worden, dit neemt niet weg dat het waarschijnlijk toch om een verloren technologie gaat. Hedendaags wordt algemeen aangenomen dat de vorming van kalksteen een proces is dat niet kan omgekeerd worden. We vermoeden dat de Oud Egyptenaren een procedé kenden waarmee ze het proces van kalksteenvorming wél konden omkeren. Het verhaal van de Famine stèle is wellicht een sterk overdreven mythisch verhaal, toch geloven we dat daar de formule voor een chemische samenstelling moet te vinden zijn die het mogelijk maakt om kalksteen terug “vloeibaar” te maken, om kalksteen om te vormen naar kalkmodder.

We vragen ons zelfs af of de theorie in verband met sedimentaire gesteentevorming wel helemaal correct is. De huidige visie is dat bijv. sedimentaire afzettingen door cementatie in kalksteen wordt omgezet. Het valt op dat een welbepaalde soort kristallen blijkt thuis te horen bij een welbepaald mineraal (moedergesteente), waar er bijv. calciet wordt gevonden is de kans groot dat men daar fluorietkristallen zal aantreffen. Het is alsof het ene een gevolg is van het andere. Stel dat het proces van gesteentevorming bij sedimenten enigszins anders verloopt, dat bijv. in kalkmodder mineralen aanwezig zijn waardoor die kalkbrij niet kan veranderen in kalksteen. Door de logende invloed van water worden die welbepaalde mineralen uitgewassen en met het water in rivieren meegevoerd om uiteindelijk in zee te belanden. Eens die welbepaalde mineralen uit de kalkmodder verdwenen zijn kan die gaan verstenen. Op sommige plaatsen blijft er al eens een grote waterbel zitten in de uitgeharde kalksteen, het water verdwijnt traag en de mineralen die in het water waren opgelost gaan kristalliseren.

Wij kennen beton, een mengsel van bijv. keien, Rijnzand en cement. We maken het mengsel voldoende nat en het cement zal de gaten opvullen tussen de keien en het zand. Eens het water uit de betonbrij is verdwenen kan het mengsel uitharden, het cement klit het geheel stevig aan elkaar (dit is vergelijkbaar met cementatie in natuursteen).    

Het ziet er naar uit dat de Oud Egyptenaren een procedé hebben toegepast waarbij ze juist op de omgekeerde manier te werk gingen als wij dat nu met beton doen. Blijkbaar hadden ze een chemische stof (een samenstelling in vaste vorm), die  gemakkelijk oplosbaar was in water, waarmee ze vrij snel brokstukken kalksteen konden oplossen, dat ze er als het ware terug een vloeibare kalkbrij konden van maken. Die vloeibare brij kon niet verstenen zolang die bepaalde chemische stof nog in die brij aanwezig was. Ze dienden dus die kalkbrij zolang uit te spoelen met water tot die chemische stof opnieuw helemaal verwijderd was.

Steen gegoten in een bekisting zonder bodem op een zandbedKalsteen met oneffen zijde van op het zandbed
Een monoliet gegoten op een zandbed, de bekisting heeft geen bodem.
De zijde van de steen die op het zandbed lag is heel onregelmatig.

Een eerste manier voor het gieten van kalkstenen bestond er waarschijnlijk in een bekisting te gebruiken die hoger was dan de gewenste hoogte van de steen. Die bekisting werd op een zandbed geplaatst, de kalkbrij werd er ingegoten en voortdurend onder water gezet zodat het water door de brij sijpelde waardoor die chemische stof er terug werd uitgespoeld. Deze mineralen kwamen in het zand terecht en konden wellicht achteraf gerecupereerd worden. Het resultaat was een zuivere natuursteen zonder enige toevoeging van cement. Het was een zoals een natuurlijke kalksteen die uit de steengroeve kwam, of toch niet helemaal. Indien men brokstukken kalksteen uit alle hoeken van Egypte had bij elkaar gevoegd dan zouden er later mensen zijn zoals dr. Klemm die dit zouden vaststellen, ze zouden ook zien dat de zwaarste brokstukken onderaan de steen waren gezakt en dat de luchtbellen veel groter zijn dan normaal het geval is bij natuursteen. Die steen zou aan alle zijden mooi glad geweest zijn uitgenomen aan de onderkant, deze zou de vorm van het onregelmatig gegolfd zandbed hebben aangenomen en eventueel zou er nog zand aan die steen gekleefd hebben.

Home 

Een tweede manier zou er kunnen in bestaan hebben die brij eerst uit te logen zodat die begon uit te harden en hem dan pas in een vorm aan te brengen, juist zoals men natte klei zou bewerken. Het werk zou daardoor wellicht trager zijn verlopen maar op die manier was er geen zandbed nodig en kon de “kneedbare” brij in een (onderaan) gesloten bekisting worden geduwd waardoor nu alle kanten, dus ook de onderkant, een mooi glad oppervlak zouden gehad hebben. Men kon de kneedbare natuursteen wellicht op juist dezelfde manier verwerken als boetseerklei, zoals bijv. voor het maken van schalen en vazen op de draaitafel.

KalkalbastGipsalbast
Kalkalbast en gipsalbast.

Marmer is gemetamorfeerde kalksteen bestaande uit zeer puur calciumcarbonaat. Gipsalbast en kalkalbast zijn respectievelijk gips en kalk in een andere vorm maar de basis van al deze materialen is calcium. Wellicht konden ook deze steensoorten op dezelfde manier kneedbaar of vloeibaar gemaakt worden.

We gaan ervan uit dat steenblokken konden omhoog getild worden tot een gewicht van 10 à 15 ton, zwaardere blokken werden waarschijnlijk ter plaatse gegoten of gevormd met “kneedbare” natuursteen. We achten het vrijwel onmogelijk dat de piramidebouwers de mogelijkheid hadden om monolieten, die soms tot wel 200 ton wogen, op te tillen met een soort bokken of hydraulische liften.

Voor iedereen die dit als vergezocht ervaart willen we trachten onze beweringen te staven met voorbeelden. Bewijzen kunnen we dit hoegenaamd niet maar we hopen dat door het geven van voldoende aanwijzingen deze hypothese aanvaard wordt. Het maakt voor ons eigenlijk niet zo veel uit of de Egyptenaren hun stenen nu hebben uitgehakt in de kalkgroeven of zij deze hebben gegoten zoals beton, deze hypothese is echter wél van groot belang voor de uitleg van Cheops’ piramide.

Het mysterie van de groene kristallen.

Het is onze bedoeling aan te tonen dat piramidebouwers in de oudheid de mogelijk hadden om kalksteen vloeibaar te maken met behulp van een minerale, chemische samenstelling. Het is best mogelijk dat bij het vervaardigen van die mineralen enkele meer agressieve chemische stoffen aan te pas zijn gekomen maar het eindproduct was wellicht een soort kristallijne verbinding die heel gemakkelijk in water kon opgelost worden. We zoeken dus aanwijzingen van een dergelijk mineraal of een ervan afgeleide chemische samenstelling. Niet dat we de nodige kennis chemie hebben maar toch denken we dit in verband te kunnen brengen met calciet en/of fluoriet, beide zijn mineralen die het element calcium bevatten. 

1 - Indien we de tekst uit het begin van dit hoofdstuk, in verband met frater Benito, nogmaals doornemen dan kunnen die ook op een heel andere manier interpreteren.

“Het materiaal was van wonderbaarlijke waarde, want het was een smaragd zo groot als een dikke pepervrucht [capsicum], waarop met grote vaardigheid een kleine vogel was gegraveerd en een kleine slang, opgerold en klaar om toe te slaan. De steen was zo doorzichtig dat hij vanuit zijn binnenste oplichtte met de helderheid van een kaarsvlam. Het is een bijzonder oud juweel en er is geen enkele overlevering met betrekking tot de herkomst van zijn verering en eredienst.” (Spence [2] )

Ook mineralen zoals kwarts, fluoriet en diopsiet lijken op smaragd, echte smaragden zijn slechts te onderscheiden van die andere mineralen door de insluitsels die in de mineralen voorkomen. Alle echte smaragden uit Brazilië bijv. hebben calciet of pyriet als insluitsel, meestal is calciet ook het moedergesteente waarop Braziliaanse  smaragden gegroeid zijn. Vanwege de sterke gelijkenissen op andere mineralen is het sterk twijfelachtig dat het hier om een echte smaragd ging die zo groot was als een dikke pepervrucht (vergelijkbaar met een paprika). Smaragd heeft een hardheid van 7,5 à 8, het hardste mineraal is diamant met een hardheid van 10. Het is mogelijk maar zeker niet evident om een smaragd te graveren. Alles wel beschouwd  ziet het er eerder naar uit dat het géén smaragd is geweest maar een ander groen, glasachtig mineraal.

Smaragd (Latijn: smaragdus, afgeleid van het Perzische zamarat) is een variëteit van beryl en geldt als de edelste steen uit de berylgroep. De naam smaragd met als chemische formule Be3Al2(SiO3)6, komt uit het Grieks smaragdos en betekent 'groene steen'. In de oudheid werd deze naam niet alleen gebruikt voor smaragd, maar waarschijnlijk voor alle toen bekende groene stenen. De kleurgevende stof is chroom, soms vanadium (zelden). [Bron Wikipedia]

Een vogel en een kleine opgerolde slang doet denken aan een arend die op een cactus zit en een slang probeert te doden. Dit was het symbool van de Azteken en houd verband met de stichting van hun stad Tenochtitlan, dit is zelfs het nationale embleem van Mexico geworden en staat afgebeeld op de Mexicaanse vlag. Volgens archeologen was de Olmeekse beschaving de oudste van Midden-Amerika. en terug gaat in de tijd tot ten minste 100 n.Chr. De Azteken verschenen pas later op het toneel, hun beschaving wordt omstreeks 1500 n.Chr. geplaatst. Indien geschiedschrijvers en archeologen spreken over echte beschavingen in Midden Amerika gaan ze meestal niet veel verder in de tijd terug dan 100 n.Chr. Nochtans hadden de Maya’s een kalender die begonnen is in 3.113 v.Chr., dit valt dus moeilijk aan mekaar te knopen. Het is dus best mogelijk dat het “bijzonder oud juweel” een paar duizend jaar ouder was dan wordt vermoed.

Embleem van Mexico
Embleem (in de vlag) van Mexico.

Een smaragd is groen met een glasachtige schijn, dat zo’n steen vanuit zijn binnenste oplichtte met de helderheid van een kaarsvlam lijkt een overdreven omschrijving. We denken dat het een ander soort groene “steen” is geweest, het zou kunnen dat het hem ging over een kristallijne verbinding van calciet, fluoriet of iets dergelijks.

Home

Het mineraal calciet (ook wel kalkspaat) bestaat voornamelijk uit het zout calciumcarbonaat (CaCO3). In zuiver kristallijne vorm is calciet helder, kleurloos doorschijnend, maar door onzuiverheden (zoals van koper of natrium- zouten) kan het allerlei kleuren aannemen, zoals grijs, blauw, violet, groen en zelfs zwart. Vaak is het ook ondoorzichtig wit. Het mineraal kan zowel fosforescentie als fluorescentie vertonen. [Bron Wikipedia]

Calcietmineralen
Calcietkristallen.

Het mineraal vloeispaat of fluoriet is calciumfluoride met de chemische formule CaF2. Het komt vaak in aders voor samen met bariet, kwarts en calciet. Het is een algemeen voorkomend mineraal, vooral in lagen van pneumatolytische oorsprong en het is een primair mineraal in graniet. In zuivere vorm is het kleurloos maar afhankelijk van de sporenelementen die het bevat kan het verschillende kleuren hebben. Sommige specimina zijn gelig of blauw soms zelfs rood. De namen fluoriet en vloeispaat zijn afgeleid van het Latijnse fluere, dat betekent "stromen, vloeien". Ook de naam van het element fluor is ervan afgeleid. Het verschijnsel fluorescentie is voor het eerst bij fluoriet bestudeerd en is hiernaar genoemd. Fluoriet is tevens thermoluminiscent, het wordt lichtgevend bij opwarming. [Bron Wikipedia]

Fluorietkristallen
Fluorietkristallen.

Gipskristallenkristalgeminaten van gips
Kristallen van doorzichtige gips & kristalgeminaten van gips.

Fluorescentie is een natuurkundig verschijnsel waarbij een atoom een hoog-energetisch foton absorbeert, in een aangeslagen toestand belandt en vervolgens terugvalt naar de grondtoestand onder uitzending van een foton van lagere energie (langere golflengte, andere lichtkleur, rood verschuiving). Het woord fluorescentie is afkomstig van fluoriet: een mineraal dat bestaat uit het zout (calciumfluoride) CaF2. Een bekende fluorescerende stof is calciumfluoride. [Bron Wikipedia]

Fosforescentie is het verschijnsel dat een stof na te zijn belicht in het donker nog een poos blijft nalichten. In de gebruikelijke nalichtende stoffen is het een gevolg van langzaam terugvallen van, door bestraling met licht aangeslagen, elektronen.

“Hoewel er een Spanjaard er drieduizend dukaten voor bood, liet hij de steen vermalen, roerde het poeder in water, goot het mengsel op de grond en vertrapte het.” (Spence [2] )

Een smaragd is een edelsteen en wordt niet “vermalen” maar gespleten, dit dan nog alleen om er een bepaalde vorm aan te geven vóór het slijpen of om te grote onzuiverheden te verwijderen die de steen in waarde doet verminderen. Indien men echter een zuivere steen in twee splijt zijn die twee stukken veel minder waard dan die ene grote. Indien men wou dat die gravure uit de steen werd verwijderd dan moest de “smaragd” enkel bijgeslepen worden. Een smaragd laten “vermalen” kan dus gezien worden als pure vernielzucht maar misschien, zoals reeds eerder vernoemd, was het helemaal geen smaragd. Het feit dat het poeder achteraf met water werd gemengd doet vermoeden dat het eerder om een mineraal ging dat in water kon opgelost worden.

Het is mogelijk dat frater Benito het geheim van die groene steen heeft kunnen doorgronden, in de tekst staat hij het mengsel uitgoot op de grond en het vertrapte. De werkelijkheid zou wel eens kunnen geweest zijn dat hij het mengsel uitgoot op kalkhoudende rotsbodem, dat hij er nadien in trapte was wellicht om vast te stellen of dit mengsel inderdaad in staat was om kalksteen op te lossen, vloeibaar te maken. Het moet dus niet noodzakelijk als pure verspilling gezien worden, mogelijks was het een test om de waarheid te achterhalen. Wat we wél mogen zeggen is dat die test op een nogal onbezonnen manier is gebeurd, als dat mineraal inderdaad kalksteen kon oplossen dan had frater Benito er niets meer van over en was hij niet meer in staat om de samenstelling ervan te achterhalen.

Home

2 – In de nasleep van de Spaanse verovering, nadat vrijwel de gehele beschaving in Midden-Amerika was uitgeroeid, waren er toch enkele geestelijken die getracht hebben om toch nog iets van deze cultuur te achterhalen.
[Gilbert & Cotterell]
[4] Zo werd de Mayastad Palenque in 1773 herontdekt in de jungle door Ordonez, een kanunnik uit de stad Ciudad Real in Chiapas. Ordonez noteerde zijn bevindingen in zijn boek getiteld “A History of the Creation of Heaven and Earth”. Met behulp van plaatselijke mythen probeerde hij een verklaring te geven voor het bestaan van de ruïnes, die hij de Grote Stad der Slangen noemde. Hij beweerde dat Palenque was gebouwd door mensen die van over de Atlantische oceaan kwamen en werden aangevoerd door een man genaamd Votan, die een slang had als symbool. Dit verhaal over Votan had in een boek gestaan van de Quiché -Maya’s dat in 1691 was verbrand door Nunes de la Vega, de bisschop van Chiapas. Gelukkig had de bisschop een deel van het boek overgeschreven voordat het werd prijsgegeven aan de vlammen en uit dat exemplaar had broeder Ordonez zijn verhaal gehaald. Volgens het boek was Votan in Amerika aangekomen met een gevolg dat gekleed ging in lange gewaden. De inheemse bevolking was hem gunstig gezind, onderwierp zich aan zijn leiderschap en de vreemdelingen trouwden met hun dochters. Hoewel bisschop Nunes het originele boek had verbrand hechtte hij toch geloof aan het verhaal dat Votan een geheime schat in een donker, onderaards huis had verborgen. Hij zocht zijn hele bisdom af op zoek naar de schat. Toen hij die uiteindelijk gevonden had beval hij de bewakers ervan deze te overhandigen maar deze bleek uit niet meer te bestaan dan een paar kleien potten, een paar groene stenen (waarschijnlijk jade) en een paar manuscripten. Deze laatsten verbrandde hij onmiddellijk op het marktplein, samen met Votans boek. [G&C]

Ook hier weer duiken groene stenen op, niet dat we kunnen achterhalen om welke stenen het ging maar wie weet waren het ook hier weer diezelfde, in water oplosbare, kristallen waarmee kalksteen kon worden vloeibaar gemaakt. Dat er nog kleien potten en een manuscript bijhoorden zou er eventueel kunnen op wijzen dat de gebruiksaanwijzing er was bijgevoegd.

3 – In onze huidige samenleving duiken ook al “groene stenen” op, tot ongeveer zo’n dertig jaar geleden werden dergelijke “kristallen” nog algemeen gebruikt als waterontharder. Het waren origineel groene, glasachtige brokstukken maar later waren deze in de handel verkrijgbaar in de vorm van grote “knikkers”. De brokstukken zagen er uit als groene kristallen maar aan de latere bolvormige uitvoering ervan was duidelijk te zien dat het om een chemische samenstelling ging die was samengeperst tot balletjes. Indien de hardheidsgraad van leidingwater hoog is wordt bij het opwarmen ervan vrij veel ketelsteen afgezet op de verwarmingselementen van waterboilers, wasmachines etc. De huidige waterontharders zijn vrijwel altijd gebaseerd op de werking van harskorrels die de kalk uit het water opnemen, vroeger gebruikte men vrijwel uitsluitend ontharders die werkten op basis van die “groene kristallen”. Zo’n ontharder werd in serie in de waterleiding geplaatst, vóór de watergeiser, en bestond meestal uit een geelkoperen verbindingsstuk waarop een glazen bokaal werd bevestigd die was opgevuld met van die groene kristallen. Het water stroomde door die bokaal en de kristallen losten heel traag op in het water. Toch was dit reeds voldoende om geen ketelsteen meer te krijgen op het verwarmingselement van de boiler. De opgeloste kalk bleef wel in het leidingwater aanwezig maar kon door de aanwezigheid van die minerale oplossing zich niet meer afzetten als kalksteen (ketelsteen).

Dit is nu juist het principe dat we trachten aan te tonen, met bepaalde minerale stoffen zou kalksteen vloeibaar kunnen gemaakt worden en juist door de aanwezigheid van die oplossing zou de “kalkmodder” niet opnieuw kunnen uitharden. Eens die “mineralen” uit het kalksediment zijn “uitgeloogd” kunnen die sedimenten wél veranderen in kalksteen. Met dit procedé zou men brokken kalksteen kneedbaar of zelfs vloeibaar kunnen maken, indien die mineralen er nadien opnieuw uitgespoeld worden (uitlogen) zou die brij versneld gaan kristalliseren (agressieve herkristallisatie) en opnieuw verharden. De stenen zouden ongeveer dezelfde eigenschappen hebben zoals de originele natuursteen, met dit verschil dat de zwaardere brokstukken naar beneden zouden zijn gezonken in de steen en de luchtbellen groter zouden zijn dan bij natuurlijke kalksteen.

Waarschijnlijk hebben de Egyptenaren het eerst bij kalksteen ontdekt hoe ze die vloeibaar konden maken maar het is vrij duidelijk dat het niet bij kalksteen alleen is gebleven. Het ziet er naar uit dat ze eenzelfde procedé hebben toegepast op andere steensoorten, daarbij moeten we wellicht in eerste instantie denken aan gesteenten die eveneens opgebouwd zijn uit calcium. Waarschijnlijk konden ze ook andere, hardere steensoorten zoals bijv. graniet op een gelijkaardige manier bewerken. Graniet is een harde steensoort die voornamelijk bestaat uit kwarts, veldspaten en mica (ook glimmer genoemd). Mogelijks konden ze meerdere soorten hardsteen vloeibaar maken waar mica in zit, zo zijn er schalen van (groen)schist gevonden waarbij de randen omgeplooid werden alsof het kneedbare klei was. Zo zijn er ook honderden vazen gevonden met een lange, smalle hals die uit harde steensoorten, zelfs dioriet, werden vervaardigd. Wij kunnen met onze moderne technieken dergelijke vazen nog steeds niet namaken.

 

Hardstenen vaas recht uitboren
We kunnen wél een vaas in hardsteen recht uitboren.
Foto National Geographic
©Picture May be Copyrighted.

Home

Uitgeholde vaas
Maar hoe moeten we de buik van de vaas uithollen?
 Foto National Geographic
©Picture May be Copyrighted.

Graniet is een zuur (of felsisch) stollingsgesteente dat voornamelijk bestaat uit drie mineralen; kwarts, veldspaten (kaliveldspaat en plagioklaas) en mica's (muscoviet en/of biotiet). Ook amfibool komt in graniet voor. De onderlinge verhouding van de mineralen verschilt, maar doorgaans is kwarts de dominante component (ongeveer 50%). Het kwarts is meestal grijs, het veldspaat kan gekleurd zijn (crème, roze voor kaliveldspaat en (melk-)wit voor plagioklaas) en de glimmers zijn meestal bruin of lichtgrijs van kleur. [bron Wikipedia]

Mica's vormen een belangrijk gesteentevormend onderdeel van felsische vulkanische gesteenten, zoals graniet en rhyoliet. Muscoviet en biotiet zijn daarin de belangrijkste mica's. In metamorfe gesteenten, groenschisten bijvoorbeeld, komt ook chloriet voor. Bij erosie van deze gesteenten worden de mica's getransporteerd en verweren ze vrij gemakkelijk tot kleimineralen. [bron Wikipedia]

In 1906 werd een dikke laag mica gevonden (8 m²) tussen de twee bovenste lagen van de piramide van de zon in Theotihuacan (Midden Amerika), ook enkele jaren geleden werden daar nog micaplaten gevonden (in de “micatempel”). Direct onder een met grote platte stenen bedekte vloer groeven archeologen twee boven elkaar liggende, vierkante massieve platen mica op van 27 vierkante meter. Deze micaplaten, met een zijde van meer dan 5 meter, hebben een minerale samenstelling die alleen in Brazilië voorkomt, dit is een afstand van meer dan 3000 km. Lokaal is er ook mica te vinden, waarom de bouwers nu echt de mica uit Brazilië nodig hadden is totaal onbekend. We kunnen ons echter afvragen of ze die platen van 5 bij 5 meter over die afstand hebben vervoerd of dat ze kleinere stukken mica hebben aangevoerd, deze vloeibaar hebben gemaakt en tot grote platen hebben gegoten.
           
Tot op heden is er nog geen afdoende antwoord gevonden hoe men vroeger diepe, nauwe ondergrondse schachten, zoals in Cheops’ piramide, kon uithakken in de rotsbodem. De arbeiders zaten daar in het donker te werken, volop in het stof en met een nijpend gebrek aan zuurstof. Indien ze de tunnels bovendien bijlichtten met fakkels was de zuurstof binnen de kortste keren opgebruikt. We denken dat de arbeiders zo veel mogelijk gewerkt hebben in open schachten, ze konden kalksteen oplossen en dat is wellicht ook wat ze gedaan hebben. We nemen aan dat ze kalksteen zeer eenvoudig vloeibaar konden maken zodat ze in staat waren de gehele sleuf kalksteen op te lossen en uit te graven. Zolang het om tunnels gaat waar een arbeider kon inkruipen kan men nog veronderstellen dat ze uitgehakt werden. Er bestaan echter ook heel nauwe, meterslange ondergrondse tunnels in de rotsbodem waar geen mens door kan kruipen, dat deze zouden uitgehakt zijn is totaal onmogelijk. We veronderstellen dat ze de gehele sleuf, laag na laag, tot op de nodige diepte hebben vloeibaar gemaakt en uitgeschoffeld hebben, met steenblokken in die sleuf een tunnel hebben gevormd waarna ze met de vloeibare kalkmodder de gracht weer hebben dichtgegooid.

Indien we in een eerder hoofdstuk hebben geschreven dat het maken van een zeer lange ondergrondse tunnel in de rotsbodem geen onoverkomelijke opdracht is geweest hadden we uiteraard in gedachten dat ze de rotsbodem konden oplossen en uitscheppen. Een tunnel maken in de rotsbodem, vanaf het Osirion tot aan de piramiden in Gizeh, is een enorm werk maar kan op die manier toch als uitvoerbaar beschouwd worden. Het is zelfs zo dat kalksteen mogelijks niet voldeed om aan de hoge druk van het water te weerstaan, er mocht geen druk verloren gaan en daarom was kalksteen veel te poreus en bovendien niet genoeg bestand tegen water. Die kanalen werden mogelijks om die redenen gemaakt uit graniet. Men heeft wellicht open sleuven in de kalkrotsen gemaakt, daarin granieten “buizen” geplaatst en nadien de sleuven terug opgevuld met de kalkmodder die er eerder was uitgeschept.

[Erich von Däniken] In 1980 boorden Egyptische irrigatiespecialisten naar grondwater op een afstand van ongeveer 30 meter ten oosten van de sfinxtempel. Zonder problemen waren ze in staat tot op een diepte van 15 meter te boren, toen kwam hun boor plotseling in aanraking met iets hard en massief. Na de boor te hebben losgemaakt, zagen ze tot hun verbazing dat ze een groot brok Assoeangraniet hadden blootgelegd. Van nature komt er nergens graniet voor in dat gebied van de Nijldelta. Assoean, de bron van alle graniet dat door de ouden bij Gizeh werd gebruikt, ligt achthonderd kilometer meer zuidwaarts. [EvD]

Het is wel niet bekend om wat het nu precies ging maar het geeft wel een idee wat er in het kalkrotsplateau van Gizeh allemaal te ontdekken valt, zelfs op een diepte van 15 meter.

Home     

------------------------------------------------------------------

Verwijzingen bij hoofdstuk 20.

1 - Hancock, Graham.
     Het onstaan en het einde van alles.
     Tirion, Baarn ISBN 90 5121 600 9 – 1997.

2 - Spence, Lewis
     The Magic and Mysteries of Mexico.
     Rider, London, 1922.        

3 - Däniken, Erich von
     De ogen van de sfinx
     Luitingh-Sijthoff 2é druk 1990
     ISBN 90 218 0192 2

4 - Gilbert & Cotterell, Adrian & Maurice M.
     De voorspellingen van de Maya’s ontsluierd.
     Fibula 1996  -  ISBN 90 269 6148


Home