Eerste versie 22 april 2009.
Zoals reeds in het hoofdstuk "Groene kristallen" werd uitgelegd veronderstellen we dat piramidebouwers een procedé kenden om natuursteen op te lossen. Ze zijn wellicht in staat geweest om uit bepaalde mineralen en enkele natuurlijke chemische stoffen een kristallijne vaste stof samen te stellen die op een zeer eenvoudige manier kon opgelost worden in water en waarmee ze in staat waren natuursteen kneedbaar, zelfs vloeibaar te maken. Om die opgeloste steen opnieuw te laten verharden moest die minerale oplossing er terug uitgespoeld worden zodat die brij opnieuw kon kristalliseren tot hardsteen, wellicht mogen we hier spreken over agressieve herkristalisatie.
Een hardsteensoort kon, in goed vloeibare toestand, gegoten worden in vormen of bekistingen die op een zandbed rustten. Die vormen waren wellicht hoger dan de te gieten steen zodat die voortdurend onder water kon gezet worden om de minerale oplossing er terug uit te spoelen (uitlogen). Waarschijnlijk konden die mineralen achteraf gerecupereerd worden uit het zand om opnieuw te worden gebruikt. Dit kan een snelle manier zijn geweest voor het ter plaatse gieten van heel grote en zware steenblokken.
Wij zien in de muren van Chefren’s daltempel een mooi voorbeeld van gegoten stenen, ook Graham Hancock heeft in verband met die toch wel heel opvallende muren een beschrijving gegeven [1]

Schets van de buitenkant van een muur in de daltempel van Chefren.
Aan de buitenkant zijn de granieten mantelstenen verdwenen,
enkel de kern van zware kalksteenblokken blijft nog over.
[Hancock - citaat] De kern van de valleitempel was geheel opgebouwd uit kalkstenen megalieten. De meeste daarvan waren 5,5 meter lang, 3 meter breed en 2,5 meter hoog, sommigen waren nog groter. Dit waren blokken met een gemiddeld gewicht van 200 ton en zo waren er honderden. Die kalkstenen blokken waren niet alleen lachwekkend groot maar bovendien uitgehakt en in elkaar gepast als een veelhoekig patroon. Ook merkte ik op dat de tempel in twee stadia gebouwd leek te zijn. Het eerste stadium, grotendeels nog intact, hoewel sterk geërodeerd, bestond uit een sterke en zware kern van tweehonderd ton zware kalkstenen blokken.

Doorsnede van een muur in de daltempel van Chefren.
Granieten mantelstenen bedekken de kern van kalksteenblokken.
Aan weerszijden daarvan was een façade van opgericht graniet opgetrokken die grotendeels intact was aan de binnenzijde van het gebouw maar vrijwel geheel vervallen aan de buitenzijde. Een kijkje op de brokstukken van de mantelstenen aan de buitenzijde, waar deze waren losgeraakt van de kern, onthulde een merkwaardig feit. Toen deze hier in de oudheid waren neergezet, was de achterkant van deze blokken in vorm gehakt om in en om diepe groeven en ribbels van bestaande verweringspatronen van de kalkstenen kern te passen. De aanwezigheid van deze patronen leek te impliceren dat de kernblokken hier gedurende lange tij moeten hebben gestaan, blootgesteld aan de elementen, voordat ze met graniet werden bekleed. [einde citaat]
Het is maar hoe je de zaken bekijkt, in ieder geval was dit een reden voor Hancock om te veronderstellen dat de daltempel duizenden jaren oud kan zijn. Granietplaten uithakken in de vorm van de verweerde kalkstenen kern is iets waar nu toch niemand zou willen aan beginnen. Waarom zou men zoiets doen? Het was toch veel eenvoudiger om de groeven en ribbels met mortel op te vullen, mortel had men toch al nodig om de platen te bevestigen. Indien men dan toch zin zou gehad hebben om wat steentjes te hakken zou het veel logischer geweest zijn indien men de kalksteenkern vlak maakte. Ook mag opgemerkt worden dat er geen enkel spoor van mortelspecie (meer) te bekennen valt tussen de granietplaten en de kalkstenen kern, ofwel is die mortel nu volledig verdwenen ofwel werd er nooit mortelspecie gebruikt. Maar, hoe kon men dan die granietplaten op de kern kleven?
Indien we rekening houden met mogelijke giettechnieken voor natuursteen kan het geheel veel eenvoudiger uitgelegd worden: Ten tijde van Chefren werden voor de bouw van de daltempel grote, platte granietplaten gegoten op een zandbed. Nog voor ze helemaal waren uitgehard werd de bekisting weggenomen en werden die platen gepolierd zodat ze mooi effen waren. Dit met uitzondering van de onderkant uiteraard, de platen bleven op het zandbed liggen tot ze helemaal uitgehard waren. Nadien werden ze vertikaal opgericht, zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van de tempelmuur, exact op de plaats waar die muur moest komen. De ruwe kant van de granietplaten, met de geribbelde vorm van het zandbed, werd uiteraard naar de binnenzijde van de muur gericht. Het geheel werd nauwkeurig opgesteld en voldoende stevig gestut. De ruimte daartussen werd volgegoten met vloeibare kalksteen, net zoals wij dat nu zouden doen met beton. Het kernmateriaal vulde de binnenkant helemaal en nam de grillige vorm aan van de achterkant van de granietplaten, nu deze aan de buitenkant zijn verdwenen blijft uiteraard alleen nog de kalksteenkern over die het geribbelde patroon vertoont van de granietplaten die ervoor hebben gestaan.
De vraag is waarom de kern van de muur niet bestaat uit één goot blok kalksteen. We veronderstellen dat één zo’n blok de dagproductie vertegenwoordigde van de arbeidersploeg die daarmee belast werd. Het geheel was uiteraard veel sterker geweest indien de kern van de daltempel uit één groot aaneengegoten blok had bestaan, de vraag is echter hoeveel man men daarvoor had moeten inschakelen. Zelfs al had men daarvoor 10.000 man ter beschikking dan was er nog een ander probleem. Hoeveel man kon gelijktijdig bij die muur komen om er wat “beton” in te kappen? Om die reden kon er maar een “beperkt” aantal arbeiders ingeschakeld worden om “beton” te maken en tussen de muurplaten te gieten. Het dagelijks volume van één zo’n blok mag zeker niet onderschat worden, een kalksteen van 5,5 x 3 x 2,5 meter vertegenwoordigt een volume van 41,25 kubieke meter en weegt ong. 107,25 ton (aan 2,6 ton/m³ en geen 200 ton zoals Hancock schrijft). Zo’n volume op één dag klaarmaken en verwerken was zeker geen sinecure, daar zal vast een vrij groot aantal arbeiders mee bezig zijn geweest.
Zand om stenen op te gieten zal er in Egypte wellicht voldoende voorhanden geweest zijn. Maar, hoe ging men tewerk in regio’s waar géén zand voorhanden was?
Uit onderstaande tekst blijkt nog maar eens dat de mens vindingrijk genoeg was om er iets anders op te vinden.
[Gilbert & Cotterell] [2] Omstreeks 1920 heeft de bekende archeoloog, dr. Thomas Gann,docent in de Midden Amerikaanse archeologie aan de universiteit van Liverpool, de ontdekking bekend gemaakt van een oude stad aan de Rio Grande niet ver van de grens van Guatemala. Het is een vreemde locatie, omdat de stad lijkt te dateren van vóór het Maya tijdperk en gebouwd werd door een onbekend volk. In een artikel in The Illustrated London News van 26 juli 1924 schreef hij: “De bouwwerken bestaan uit grote met stenen bedekte terraspiramiden die aan één kant toegankelijk zijn via brede stenen trappen. Het eerste bouwwerk dat we van oerwoud en modder ontdeden was een afgeknotte piramide van 27,5 meter lang bij 23 meter breed en 9 meter hoog… De hele piramide was volledig bedekt met keurig uitgehakte blokken zandsteen en kalksteen. Veel van de kalksteenblokken bezaten aan de onderzijde een laag hoornkiezel van 2 centimeter dik. Voor het samenvoegen van de stenen was geen gebruik gemaakt van metselspecie of een vergelijkbaar materiaal….. [G&C]
Ofwel kunnen we stellen dat men hier kalkstenen heeft gegoten op een bed van hoornkiezel ofwel dat de kalkstenen uit een steengroeve werden gehaald waar er zich nu toevallig een laag hoornkiezel onder de kalksteenlaag bevond.
Hoornsteen of hoornkiezel is een kiezelzuurrijk, microkristallijn gesteente dat wordt gevormd door metasomatisme van sedimentair gesteente. Hoornsteen kan kleine fossielen bevatten en kan wit tot zwart van kleur zijn. Meestal is het grijs, bruin, roestig rood of lichtgroen. De kleur wijst op de aanwezige elementen, zo wijzen rood en groen op de aanwezigheid van ijzer. [Bron Wikipedia].
Stenen vormen in een gesloten bekisting.
Bij stenen op de onderste laag, die op de grond stonden kon men eventueel gebruik maken van een zandlaag om de ongewenste mineralen er terug uit te spoelen, bij de lagen die daarboven lagen kon dit niet meer omdat de stenen heel goed aan elkaar dienden te kleven om een stevige constructie te hebben. Wat sterk opvalt bij die reusachtige monolieten is dat ze over het algemeen geen platte vlakken hebben maar steeds een weinig bol staan, dit zou er kunnen op wijzen dat deze blokken werden gevormd in een niet al te sterke bekisting. Welk materiaal er gebruikt werd voor die bekisting is wellicht niet meer te achterhalen, deze zal waarschijnlijk bestaan hebben uit eenvoudig, goedkoop materiaal dat meer dan voldoende voorhanden was zoals bijv. matten geweven uit langwerpige bladeren, (riet)stengels, papyrus of iets in die aard.
Wat opvalt aan die grote stenen is dat ze bijna allemaal uitsteeksels hebben aan de onderkant. Mogelijks waren er in die bekisting gaten waarlangs het water en de ongewenste mineralen konden wegvloeien uit die stenen. Waar deze uitsteeksels nog steeds te zien zijn aan die stenen gaat het hem blijkbaar altijd om muren waarbij de afwerking niet zo heel belangrijk was. Over de hele wereld zijn megalieten met dergelijke uitsteeksels terug te vinden, het was blijkbaar een bouwmethode die universeel werd toegepast. Zo zijn er gelijkaardige voorbeelden te vinden op de buitenmuren van het Osirion in Abydos, maar evengoed in Tiahuanaco als in Puma Punku (zuid Amerika, omgeving Titicacameer) en zelfs in Cuzco, Peru.

Steen met 12 hoeken.

Aan veel stenen zijn de uitstulpingen nog te zien.
Dergelijke uitstulpingen zijn zelfs terug te vinden op granietblokken in de muren van de koningskamer (Cheops’ piramide) en zelfs op de kalkstenen in een van de ontluchtingskamers daarboven. [Petrie] [3]

Restanten van uitsteeksels aan de granietblokken.
Muren in de koningskamer van Cheops’ piramide.
55. Among peculiarities of work still remaining, are the traces of 15 bosses or lugs on the faces of the granite blocks , all on the lower course. Those best seen are two on the fourth block of the N. wall, counting from the door; they have been about 12 inches wide and the same high, 14 inches apart, and their flat bottom edges 3 inches from the base of the block (see Pl. XII). They may be very plainly seen by holding a candle close to the wall below them; this [p. 83] shows up the grinding around them, and the slight projection and very much less perfect grinding of the sites of the bosses. [Petrie] [3]
55. Onder de eigenaarde kenmerken die nog te zien zijn van het verrichte werk (aan de granietstenen in de koningskamer), zijn de sporen van 15 uitsteeksels (bosses or lugs = oren, pennen, tappen, pinnen) op de oppervlakken van de granietblokken, ze bevinden zich allen op de onderste laag. De nog best zichtbare zijn de twee op het vierde blok van de noordelijke muur, te rekenen vanaf het doorgang. Ze zijn ongeveer 12 centimeter breed en hoog en staan 35 centimeter uit elkaar, met hun platte onderkant op 3 cm van de onderzijde van het blok ( Zie Pl. XII). Ze zijn duidelijk te zien door een kaars dicht bij de muur te houden, dit [blz. 83] toont het schuren omheen die uitsteeksels, de lichte delen zijn veel minder perfect geslepen dan de zijkanten van de oren (pennen, uitsteeksels).
Naargelang de gewenste kwaliteit van afwerking werden de bekistingen steviger gemaakt en die uitstulpingen ofwel simpelweg ongemoeid gelaten ofwel, waar een mooiere afwerking vereist was, werden deze “oren” helemaal verwijderd. Indien de steen nog niet uitgehard was konden die uitstulpingen weggesneden en gepolierd worden. Was de steen echter reeds volledig uitgehard dan diende men deze “pinnen” weg te hakken en bij te schuren, wat het werk een heel stuk bemoeilijkte.
Heel zware stenen, zoals deze voor het plafond van de koningskamer en van de drukontlastingskamers er juist boven werden wellicht op een zandbed gegoten, juist naast de koningskamer op een bouwlaag van de piramide die op ongeveer dezelfde hoogte kwam als waar de plafondstenen moesten komen. Op het moment dat die stenen waren uitgehard werden die ondersteboven gekeerd en op de muren van de koningskamer geschoven. Bij gevolg vertonen die blokken allemaal vrij egale vlakken met uitzondering van één zijde, deze blokken werden op de koningskamer gelegd met die grillige zijde naar boven omdat verwacht werd dat toch niemand dit ooit zou te zien krijgen. Dergelijke zware blokken dienden dus nooit opgetild te worden maar werden enkel verschoven om op hun definitieve plaats terecht te komen.
De stenen in de muren van de koningskamer werden wellicht ter plaatse gegoten in een heel stevige bekisting waar onderaan enkele gaten waren gemaakt zodat ongewenste mineralen konden uitgespoeld worden. De stenen van de tweede laag werden bovenop de eerste laag gegoten. Er diende geen enkele zware monoliet te worden opgetild, bovendien kleefden op die manier de blokken aan elkaar zonder gebruik te maken van mortelspecie. Gezien het feit dat de tweede laag bovenop de eerste laag werd gegoten pasten die stenen perfect op elkaar. Het ziet er eerder naar uit dat het graniet niet echt “gegoten” werd maar als kneedbare klei in de bekisting werd geduwd. Het is zelfs mogelijk dat er enkel gaten werden gemaakt in de bekisting van de onderste steenlaag en dat die gaten dienden voor het afvoeren van de ongewenste mineralen, dit voor alle lagen.
Tot op heden wordt verondersteld dat de steenblokken tot in de perfectie werden gelijk gehakt en geschuurd, in het geval van granietsteen is dit is een werk dat meerdere weken per monoliet had kunnen duren. Dit is niet echt logisch omdat de piramide blijkbaar in een ijltempo werd voltooid. Indien we er echter van uitgaan dat deze stenen werden gevormd zoals natte kleiblokken dan past dit perfect in het beeld dat we hebben in verband met de snelheid waarmee het werk moest vooruitgaan.
Bronzen klampen om de stenen bij elkaar te houden.
De ruines van het Kalasasaya liggen in Tihuanaca, Bolivia, zo’n 10 kilometer ten zuiden van het Titicacameer. Arthur Posnansky heeft zeker 25 jaar van zijn leven gewijd aan het bestuderen van deze site. Hij kwam tot de conclusie dat dit bouwwerk zo’n 17.000 jaar oud kon zijn. De archeoloog prof. Neil Steede heeft de site opnieuw opgemeten en volgens hem is de ouderdom ervan minstens 12.000 jaar.

Het Kalasasaya in Tihuanaca, Bolivië.

Een bronzen klamp om twee hoekstenen bij elkaar te houden.
Foto National Geographic ©Picture May be Copyrighted.
In een documentaire van National Geographic toonde prof. Neil Steede dat de hoekstenen van gebouwen in de omgeving van het Kalasasaya aan elkaar zijn verbonden door bronzen klampen. Het is een bizarre wereld, prof. Steede is zelf archeoloog maar durfde toch beweren dat de site meer dan 12.000 jaar oud is en haalde bovendien een bronzen klamp uit een van die hoekstenen. De meerderheid van de archeologen beweren dat brons een legering is die toen nog niet bestond, in hun opinie bestond er toen zelfs nog niet eens een begin van beschaving en moet de site zelf gedateerd worden omstreeks 200 na Chr.

Naar een tekening en uitleg van Posnansky. [4] Figure 14- A bronze bolt (clamp) in half size. With these devices, which also came in large sizes, they joined the carved blocks in the surfaces of which there had previously been made depressions in the form and size of the bolt.

Naar een tekening en uitleg van Posnansky: [4] Figure 14a - Schematic drawing of a few if the many forms of the bolts, vestiges of which are found in the shape of depressions in the blocks supported in ancient times by these clamps or couplings which were used between them.
Uit de verklaring bij bovenstaande foto en tekening wordt duidelijk dat Posnansky ervan uitging dat de exacte vorm van de klamp uit de stenen werd gehakt en dat die dan in die uitsparing werd gedrukt. Elke hedendaagse bouwvakker zal u verklaren dat een klamp op die manier plaatsen niets oplevert, de klamp zal los zitten en geen effect hebben. Die klamp zou op zijn minst in de mortel moeten bevestigd worden, dit is in het Kalasasaya niet het geval geweest.
Soms kunnen we gelijksoortige klampen nog zien in de arduinen deurdorpels van kerken, indien de kerkdeur zeer breed was kon het gebeuren dat de arduinen dorpel uit twee stukken moest gemaakt worden. Opdat deze niet zouden verschuiven werden beide delen soms met klampen aan elkaar gezet. Er werden gaten in de dorpels gemaakt en de klampen werd er ingeduwd. Hoe exact men deze gaten ook boorde of hakte, nooit spanden de klampen voldoende. Om die reden werden de gaten wat groter gemaakt, de klampen werden er ingelegd en de gaten werden opgegoten met lood of tin.
Prof. Neil Steede besefte dit maar al te goed, maar wellicht door tijdsgebrek in de documentaire kan hij dit feit niet uitleggen, daardoor komt zijn uitspraak vrij onduidelijk over. In die uitzending verklaarde hij dat de bouwers waarschijnlijk over een draagbare smeltoven beschikten om de vele klampen op al die verschillende locaties ter plaatse te gieten. Hij had vastgesteld dat die bronzen klampen inderdaad vastgekneld zaten in de steen zelf, zonder mortel. Toch bleef er bij het uitbreken van klampen steeds wat van die steen aan de klamp kleven, dus moesten het restanten van de steen zelf zijn die aan de klamp kleefden. Ofwel hadden de bouwers vloeibaar brons in de gleuven gegoten, ofwel hadden ze de klampen in de nog natte stenen geduwd. Gezien het feit dat het niet om kleiblokken ging maar om natuursteen en dat hij nooit van de veronderstelling is uitgegaan dat die stenen gegoten werden, bleef er voor prof. Steede maar één oplossing over. Wijzelf daarentegen veronderstellen dat die kalkstenen als natte blokken op elkaar zijn gestapeld en dat ze de klampen in die natte stenen hebben geduwd, het is zelfs mogelijk aan te tonen dat prof. Steede er hier naast zat met zijn verklaring.

De stenen liggen perfect horizontaal.
Foto National Geographic ©Picture May be Copyrighted.
In diezelfde documentaire heeft hij zelf aangetoond, door een waterpas op de stenen te plaatsen, dat die perfect horizontaal werden gelegd. Indien ze in beide stenen die groef zouden gehakt hebben, waarom werd die gleuf dan schuin en niet overal even diep gehakt? Wat u op de foto ziet is een hoek van de muur van een niet al te groot gebouw, het is best mogelijk dat de bouwers een hele rij natte stenen ineens hebben gelegd om pas daarna de klampen in de nog natte stenen te duwen. De verst verwijderde steen is er waarschijnlijk als laatste bijgelegd en was nog een stuk natter dan de voorste. Indien men op dat moment een klamp in die stenen heeft geduwd dan zakte die veel gemakkelijker in de natste steen (de achterste) en al veel moeilijker in de reeds gedeeltelijk uitgedroogde steen (de voorste), als gevolg kwam die klamp schuin in de stenen te zitten. Vraag dit aan gelijk welke bouwvakker, indien men hem zegt dat het om natte betonblokken gaat, u krijgt u gegarandeerd altijd hetzelfde antwoord.

De bronzen klamp heeft een I -vorm.
Foto National Geographic ©Picture May be Copyrighted.
Die klamp werd tijdens de opname van die documentaire uit de stenen gebroken en zoals u kunt zien op bovenstaande foto heeft die een I – vorm. Indien de bouwers in die schuine gleuf gesmolten brons hebben gegoten dan moet de bovenkant van het gietsel ongeveer horizontaal hebben gestaan, dan zou die klamp aan de ene kant dikker geweest zijn dan aan de andere kant. Bovendien zou er aan de onderkant van de klamp een lijn moeten te zien zijn waar de twee stenen tegen elkaar kwamen.

Een klamp, ter plaatse in een schuin gat gegoten, zou over de hele lengte niet even dik zijn.
De klamp zou ook een lijn vertonen waar de twee stenen tegen elkaar kwamen.

De bronzen klamp werd uit de steen gebroken, er kleven nog resten steen aan.
Foto National Geographic ©Picture May be Copyrighted.

De klamp aan de zijkant gezien, over de hele lengte is die wél gelijk van dikte.
Foto National Geographic ©Picture May be Copyrighted.
Op bovenstaande foto’s is echter duidelijk te zien dat die klamp over de gehele lengte vrijwel exact dezelfde dikte heeft, die kan dus niet ter plaatse in die schuine gleuf gegoten zijn maar werd op voorhand gegoten of in die vorm gesmeed. Indien we rekening houden met verschillende modellen klampen op de tekening plus het feit dat het om brons gaat mogen we er wellicht van uit gaan dat die klampen vooraf werden gegoten in een vorm.
We kunnen nog tientallen voorbeelden opsommen waaruit duidelijk zou moeten worden dat men in de oudheid de mogelijkheid had om hardsteen op een bepaalde manier te bewerken zodat die kneedbaar of zelfs vloeibaar werd. We gaan het echter hier bij laten, dergelijke voorbeelden heeft u vast reeds genoeg gezien.
Indien u een prachtige verzameling foto’s wenst te zien met onverklaarbare feiten in verband met
hardstenen voorwerpen of immense monolieten kunt u onder andere terecht in de fotogalerij op deze website:
http://www.ancientmysteries.eu/index.html
Zeer interessant op bovenstaande website is het thema Aswan (grote objecten), de onafgewerkte obelisk die nog in de steengroeve ligt en het thema stenen vazen, waar onder andere een heel duidelijke foto te zien is van dat wiel uit (groen)schist met de omgeplooide randen.
De Obelisk in Aswan: Het is een terechte opmerking dat de gleuven naast de obelisk te smal zijn voor een arbeider die daarin moest staan om de steen uit te hakken. Bovendien zijn er aan de zijkant van de obelisk bijna verticale strepen te zien, werd die gracht uitgehakt of werd de graniet opgelost en uit die smalle gracht geschoffeld?
Betreffende het ronde wiel met omgeplooide randen (zie bovenstaande website bij het thema artefacten, stenen vazen): Iets wat mooi cirkelvormig is dient om rond te draaien, als er dan ook nog een gat juist in het center zit dan dient dat voorwerp om rond te draaien op een stok of op een as, zeker als er dan nog eens een kraag omheen dat gat zit. We weten hoegenaamd niet waartoe dat wiel ooit gediend heeft maar vragen ons af of dit wiel iets zou kunnen te maken hebben met onderstaand verhaal:
Het epos van Gilgamesh – kleitablet 10:
De reis. De voerman Oersjanabi boomt Gilgamesh over de Wateren des Doods.
“Maar daarginds aan de kust woont Oersjanabi, veerman naar Oetanapisjtim. Bij hem zijn de steendingen. Hij raapt de oernoeslangen in het bos op. Als dat mogelijk is, maak dan met hem de oversteek, of keer anders op je schreden terug.” Om niet verklaarde redenen neemt Gilgamesj zijn bijl, stort zich op de steendingen en verbrijzelt ze in zijn razernij. Omdat Oersjanabi het tumult hoorde, keerde deze uit het bos terug en vroeg Gilgamesj waarom hij er zo verschrikkelijk uitzag. Gilgamesj vertelde nog eens zijn droevige verhaal en verlangde toen op zijn beurt de weg te weten naar Oetanapisjtim, Hij Die Ver Weg Is. Oersjanabi legde uit dat Gilgamesj eigenhandig zijn overtocht had verhinderd omdat hij de steendingen had verbrijzeld. ‘Ze maakten mijn oversteek mogelijk want mijn handen mogen de wateren van de dood niet aanraken.’ De steendingen zijn afwisselend opgevat als idolen, magische amuletten of kustpylonen waaraan een oversteekkabel (‘oernoeslangen’) was bevestigd, en magnetische geleidestenen voor de scheepvaart. Hun betekenis blijft een mysterie, maar de Hittitische versie geeft een vage aanwijzing doordat ze Oersjanabi laat zeggen ‘die twee stenen beelden die me altijd naar de overkant hebben gebracht’.
Toch wilde de vindingrijke Oersjanabi Gilgamesj helpen en stuurde hem naar het bos om puntige stokken te hakken (300 in de Oud-Babylonische versie, ieder 60 el lang). De 45-daagse tocht naar de Wateren van de Dood werd in drie dagen volbracht. Toen ze daar eenmaal waren, werden de stokken gebruikt om de boot voort te bomen, één stok voor iedere duw, zodat ook Gilgamesj het dodelijke water niet zou aanraken. Toen de laatste stok was gebruikt hingen ze hun kleding aan de gestrekte armen van Gilgamesj om de resterende afstand zeilend af te leggen. Toen ze bij de oever aankwamen, zag Oetanapisjtim dat de steendingen waren verbrijzeld [die steendingen waren dus aan boord] en er een vreemdeling aan boord was. Hij vroeg Gilgamesj waarom hij er zo gebroken en ontredderd uitzag en nogmaals vertelde Gilgamesj zijn verhaal van smart en uitputting.
Extract uit het Gilgamesh epos van: http://www.theosofie.net/sunrise/sunrise2000/mrtapril2000/gilgamesj.html
Het ziet er naar uit dat Gilgamesh de “steendingen” had gebroken die zorgden voor de aandrijving van de boot, daardoor kon hij niet naar de andere kant van het water overgezet worden. De veerman vond een oplossing door met stokken de boot over het water te bomen, roeispanen gebruiken (als die dan al bestonden) kon blijkbaar ook al niet omdat hij op die manier het dodelijke water op zijn handen kon krijgen. Waren die "steendingen" ronde stenen schroeven zoals het hierboven beschreven wiel?
------------------------------------------------------------------
Verwijzingen bij hoofdstuk 21.
1 - Hancock, Graham.
Het onstaan en het einde van alles.
Tirion, Baarn ISBN 90 5121 600 9 – 1997.
2 - Gilbert & Cotterell, Adrian & Maurice M.
De voorspellingen van de Maya’s ontsluierd.
Fibula 1996 - ISBN 90 269 6148
3 - Petrie, Sir William Matthew Flinders
The Pyramids and Temples of Gizeh.
London – New york 1883.
Boek Online:
http://www.ronaldbirdsall.com/gizeh/index.htm
4 - Posnansky, Arthur (1873 - 1946).
Tihuanacu, the Cradle of American Man (1943).
Online:
http://www.bibliotecapleyades.net/arqueologia/esp_tiahuanaco5.htm
|