Logo Khnum Mythe  


Een Zoektocht Naar De Oudste Beschavingen.


 
WWW.DJEDFORCE.NET
 
  Home
 

19 – De Mythe van Khnum.

Khnum en de zeven magere jaren.

Eerste versie 7 juni 2010.

Het transporteren van steenblokken naar bouwlaag 35 en hoger.

Hoe ver staan we nu? Wel, we zijn tot de bevinding gekomen dat de grote kalksteenblokken mogelijks bouwlaag na bouwlaag de piramide werden opgeduwd met behulp van “eenvoudige” hydraulische heftoestellen. Maar, dit verhaal gaat slechts op voor de bouwlagen 2 tot en met 34 omdat vanaf laag 35 de bouwblokken ineens weer veel dikker en zwaarder zijn.  Met de gevonden waarde voor de waterdruk was het totaal onmogelijk om de stenen tot op de top van de piramide te tillen. Bouwlaag 35 bevindt zich op een hoogte van 30,15 meter en de totale hoogte van de piramide bedroeg oorspronkelijk 146,6 meter. Op welke manier zijn de bouwers er dan in geslaagd die grote steenblokken tot op die hoogte te transporteren? We moeten dus op zoek naar een sluitend antwoord!

Meer dan waarschijnlijk was de daltempel van een piramide aan de waterrand gelegen, dit kan de oever geweest zijn van een kanaal, een meer, een haven of zelfs van de Nijl zelf. Dit maakt hier niet zo veel uit, het belangrijkste is het feit dat de daltempel en de verbindingsweg in verband worden gebracht met de begrafenis van de farao. Er wordt algemeen aangenomen dat de mummie van de farao met een boot tot aan de daltempel werd vervoerd en dat de begrafenisstoet vandaar langs de verbindingsweg tot bij de piramide kwam. Maar een verbindingsweg kan in eerste instantie, tijdens de opbouw van de piramide, ook gebruikt zijn voor het aanbrengen van de steenblokken. Vanaf de waterkant was er de daltempel vanwaar een verbindingsweg tot aan de piramide leidde, dit moet ideaal geweest zijn om de grote steenblokken vanaf de boten tot aan de piramide te brengen, na de bouw van de piramide kon de daltempel en de verbindingsweg verder afgewerkt en versierd worden.

De opgaande weg mag dus wellicht gezien worden als een helling waarlangs de zware stenen werden aangevoerd tot aan de in opbouw zijnde laag van de piramide. Zoals reeds eerder werd vermeld kan dit, tot aan bouwlaag 34 op een hoogte van ongeveer 30 meter, worden uitgelegd aan de hand van hydraulische heftoestellen maar het kan evenzeer worden verklaard door de opgaande weg te beschouwen als een korte sleephelling. We moeten dus ook die sleephelling als een mogelijke oplossing blijven in beschouwing nemen.

1. Een korte sleephelling.

Hoogtekaart Gizeh Plateau
De daltempel van Cheops’ piramide, veel lager in het Nijldal gelegen.
Een kaart van het Gizeh plateau van het GMP
[1]

Home

Indien we een hoogtekaart van het Gizeh plateau bekijken dan valt het op dat Cheops’ daltempel een heel eind van de piramide is verwijderd en ook een heel stuk lager is gelegen. Waar de basis van de piramide zelf op een hoogte is gelegen van ongeveer 55 meter boven de zeespiegel, moet dit voor de daltempel ongeveer een hoogte zijn van 10 à 15 meter. Op de kaart gemeten is de afstand tussen de piramide en de daltempel  zo’n 800 meter, volgens Herodotos zou dit echter 925 meter geweest zijn. Nemen we voor deze korte sleephelling de meest gunstige waarden dan hebben we te maken met een afstand van 925 meter en op die helling zit een hoogteverschil van 40 meter.

Verbindingsweg
De verbindingsweg stijgt 40 meter over een afstand van 925 meter.


De opgaande weg stijgt 40 meter over een afstand van 925 meter, dit maakt dat de hellingshoek gelijk is aan 2,48% of ook 4,33 % (4,33 meter stijgen per 100 meter). Over die helling zou men de stenen voor de eerste bouwlaag kunnen gesleept hebben, deze hebben een gemiddelde dikte van 147,6 cm. Voor de tweede en de daarop volgende lagen zou men deze helling kunnen opgehoogd hebben, echter zonder deze langer te maken. Op deze manier zou de sleephelling steeds op gelijke hoogte gekomen zijn met de in aanbouw zijnde laag. Dit kon zo verder doorgaan tot en met bouwlaag 34, de onderkant van deze laag zit op een hoogte van 28,23 meter. Het totale hoogteverschil tussen daltempel en piramide zou aan (de onderkant van) bouwlaag 34 reeds opgelopen zijn tot 68,23 meter.

Een korte sleephelling
De verbindingsweg 28,23 meter verhoogd tot aan bouwlaag 34.

De gevonden hellingshoek van 4,16° of 7,38% is een reële waarde, al in het hoofdstuk “Piramiden I” waren we tot de bevinding gekomen dat een hellingshoek tot ongeveer 5,71° of 10% als aanvaardbaar kon beschouwd worden. Die korte sleephelling kon echter niet verder verhoogd worden omdat de hellingshoek daardoor te groot zou geworden zijn, we zouden dus kunnen aannemen dat gelijktijdig met de bouw van de piramide een veel langere sleepheling werd gebouwd met een lengte van minstens 1.400 meter. Vanaf bouwlaag 35 konden de blokken langs die nieuwe helling naar boven gesleurd worden. De grote vraag is echter waar de nodige ruimte voor die helling kon gevonden worden, op bovenstaande kaart van het Gizeh plateau zou moeten duidelijk worden dat het niet zo evident is. Blijkbaar was de zuidkant van de piramide de enige zijde waar dit mogelijk was, een afstand van 1400 meter komt vrijwel geheel uit aan de linkerrand van de kaart (100 meter per verdeling). Dat er niet echt ruimte kan gevonden worden voor een lange sleephelling is een eerste reden om die theorie te verwerpen, dat er gemiddeld om de twee minuten een blok moest naar boven gesleurd worden tot op de in aanbouw zijnde laag is een tweede reden.


2. Gebruik van hydraulische heftoestellen.
Het gebruik van hydraulische heftoestellen moet naar onze mening de meest eenvoudige methode geweest zijn om die blokken naar omhoog te duwen, met de beschikbare waterdruk kon dit slechts werken tot en met bouwlaag 34. Laag 35 heeft een dikte van 125,7 cm, het is alsof de bouwers ineens konden beschikken over een veel grotere kracht en dat is een gegeven wat niet zomaar kan verklaard worden.


De piramide van Cheops
De top van de piramide zit 201,6 meter boven de zeespiegel.

Home

Om water tot aan de top van de piramide te krijgen moest men kunnen beschikken over een waterkolom van 201,6 meter hoog, indien men daar nog over een druk wenste te beschikken van bijv. 2 kg’/cm² (= 20 meter waterkolom), dan had men al een waterkolom nodig van minstens 220 meter. Anders uitgelegd moest dat water afkomstig zijn van een punt waar het Nijlwater 220 meter boven de zeespiegel stond, aan de basis van de piramide zou de druk dan zo’n 16,5 kg/cm² geweest zijn.

Samengevat zouden we kunnen besluiten dat de piramidebouwers vanaf laag 35 ineens konden beschikken over een veel hogere waterdruk, alsof er op dat moment een andere aanvoer van water gebruikt werd. We moeten dus een aanwijzing vinden vanwaar ze die hogere waterdruk hebben gehaald, welke was die locatie waar het Nijlwater zo’n 200 à 220 meter boven de zeespiegel stond?

Koya, Sudan
De Nijl op een hoogte van 200 meter boven de zeespiegel, de omgeving van Koya in Sudan.
Kaart: Google Maps

Indien we een hoogtekaart van Egypte en Sudan bekijken gaan we al vlug beseffen dat het Nijldal vrij vlak blijft, om Nijwater op een niveau van 200 meter boven de zeespiegel te vinden moeten we al zeer ver zuidwaarts zoeken, in de omgeving van Koya in Sudan (In de oudheid noemde dit land Nubië).


De Nijl In Koya
De afstand tussen Gizeh en Koya, ongeveer 1000 km.
Kaart: Google Maps

Home

Dit is verre van realistisch, dat de Oud Egyptenaren een ondergronds kanaal zouden aangelegd hebben met een lengte van 1000 km of meer is wat te veel van het goede.


Dongola, Sudan
De Nijl op een hoogte van 220 meter in de omgeving van Dongola,
ten zuiden van de derde cataract. Kaart: Google Maps.

Voor een punt waar de Nijl tot zelfs 220 meter boven de zeespiegel stroomt moeten we al zoeken in de omgeving van Dongola in Sudan, voorbij de derde cataract op de Nijl. De afstand van Dongola tot Gizeh bedraagt meer dan 1200 km, indien de Oud Egyptenaren konden beschikken over een waterkolom tot 220 meter boven de zeespiegel dan moeten ze dit vast en zeker op een andere manier verkregen hebben, waarschijnlijk ligt het antwoord voor onze neus: het Nassermeer.

Nassermeer
De hoogtelijnen van 200 meter aan de rand van het Nassermeer.
De hoogtelijnen van 180 meter zijn slechts zeer sporadisch te zien,
het meer moet dus op ong. 180 meter boven de zeespiegel staan. Kaart: Google Maps

De eerste dam op de Nijl, ten zuiden van Aswan, werd gebouwd in 1899 en was 54 meter hoog. Door de bouw in 1960 van de 2é en grootste dam op de Nijl, nog zuidelijker dan de eerste, is er een immens stuwmeer ontstaan. De dam zelf is 111 meter hoog en vlak achter deze dam staat het water reeds op een hoogte van zo’n 180 meter boven de zeespiegel, zo’n dam is dus de ideale oplossing om een heel hoge waterkolom te bekomen.

We zouden dus kunnen uitgaan van de veronderstelling dat ook al de Oud Egyptenaren een dam op de Nijl hebben gebouwd om aan een waterkolom te komen die tot 200 à 220 meter boven de zeespiegel kwam. Waar de waterdruk van het huidige stuwmeer momenteel benut wordt om elektriciteit op te wekken was het in de oudheid louter om de druk te doen om hydraulische werktuigen te bedienen. Zouden we aanwijzingen kunnen vinden dat er in de oudheid ooit een dam op de Nijl heeft bestaan?

Als mythen werkelijkheid worden.
Mythen, legenden, wat zijn dit eigenlijk voor verhalen? Volgens de meest gangbare visie zijn dit niet meer dan verzinsels uit de oudheid. Maar toch, we kunnen ons nooit volledig ontdoen van het gevoel dat bepaalde legenden op ware feiten berusten. Wijzelf zijn van mening dat mythen verhalen zijn die eeuwen na elkaar werden doorverteld eer ze werden opgetekend wat maakt dat die mogelijks sterk vertekend raakten. Door de tijd heen werden de ware feiten wellicht nog wat doorspekt met verzinsels waardoor die verhalen hun mythisch karakter kregen. Niettegenstaande mythen als “straffe verhalen” overkomen neemt dit niet weg dat die waar gebeurde feiten kunnen bevatten, dat is althans ons standpunt.


De gogheid Khnum
De godheid Khnum.
Andere namen voor Khnum zijn: Chnum, Chnoem, Khnemu
Tekening van Jeff Dahl onder GNU Licentie
[2].

Home

[2] [Bron Wikipedia - begin] : Khnum is een god uit de Egyptische mythologie. Hij wordt vooral afgebeeld met de kop van een ram met rechte horens. Dit weerspiegelt de ouderdom van zijn cultus, omdat het een afbeelding is van het oudste schapenras dat in Egypte getemd werd (Ovis longipes). Khnum werd vereerd op een aantal plaatsen, vooral in Elephantine op de zuidgrens van Egypte bij de eerste cataract, die door de Egyptenaren als de bron van de Nijl werd gezien, maar ook in Esna, waar het jaarlijkse Festival van het Pottenbakkerswiel gevierd werd.

Khnum en de zeven magere jaren is een mythe uit de Egyptische Mythologie die staat opgetekend op de Hongersnoodstele, een blok graniet van zo'n drie meter hoog op het eilandje Sehel even ten zuiden van Aswan.

Famine Stèle
De Hongersnoodstele, ook de Famine-stèle genoemd op het Nijl-eiland Sehel.
Foto door Markh onder GNU Licentie
[2]

De hongersnoodstele is een inscriptie op een rots op het eiland Sehel, dat tussen de eilanden Philae en Elephantine bij Aswan ligt. Op de stele wordt de Triade Chnoem, Satet en Anuket afgebeeld, die offers van Djoser krijgt aangeboden. Dit gebeurde nadat het land door zeven jaar droogte was getroffen omdat de Nijl niet overstroomde, hierdoor ontstond hongersnood. Koning Djoser vroeg Imhotep om hulp en deze raadpleegde de archieven van Thot in Hermopolis Magna. Het bleek dat de god Khnum, verantwoordelijk voor de overstroming, boos was. Om de god tevreden te stellen vaardigde Djoser een decreet uit waarin de tempel van Khnum op Elephantine het gebied Dodekaschoinos (ongeveer een lengte van 95 km langs beide oevers van de Nijl) ten zuiden van Elephantine met alle rijkdommen kreeg aangeboden. Deze inscriptie is volgens de Egyptologen niet uit de tijd van Djoser maar werd in de periode van de Ptolemaeën opgesteld (ong. 305 v.Chr. tot 30 v. Chr.).

De inscriptie is moeilijk te zien en werd bij toeval ontdekt door C.E. Wilbour in 1889. Toen de vertaling ervan in 1891 door Brugsch uitgegeven werd, veroorzaakte dat enige opschudding omdat de mythe duidelijke overeenkomsten vertoont met het verhaal van de vette en magere jaren in de Hebreeuwse Bijbel.

Volgens de mythe, die dus waarschijnlijk uit de late tijd stamt, was er in de tijd van farao Djoser (derde dynastie) een zevenjarige droogte geweest. In het 18e jaar van koning Djoser, toen Madit de prins van Erpa en Ha was, gouverneur van het tempeldomein van het noorden en het zuiden alsmede de leider van de Khenti te Elefantine, werd er een bericht van de koning aan hem afgeleverd waarin Zijne Majesteit hem schreef:

“Mijn hart is bezwaard vanwege de ramp die zich voltrekt, want de Nijl is in zeven jaar niet buiten zijn oevers getreden. Er is geen graan, er zijn geen groentes, er is geen voedsel. Eenieder berooft zijn buurman. Mensen willen lopen maar kunnen zich niet bewegen. De jongeling sleep zijn leden voort, de harten van de ouderen zijn verslagen in wanhoop. Hun benen laten hen in de steek, zij zakken neer en grijpen hun lichaam vast in pijn. De raadgevers staan verstomd en niets dan wind komt uit de graanopslag als deze geopend wordt. Alles is in staat van verval...”

De koning was wanhopig om uit vinden waarom deze ramp het land overkomen was. Was er iets mis met de Nijlgod Hapi? Waar kwam de Nijl eigenlijk vandaan? Welke goden hadden daar gezag over? Had hij ze soms beledigd of verwaarloosd?
Madit kon hem dat wel vertellen. Tenslotte was Elefantine de bron van de Nijl, het water van de rivier kwam daar uit twee spelonken naar boven. Het waren de borsten van de Nijlgod. Maar de god die daarover de baas was, was Khnum. Hij had ooit het slot geopend op de deuren die de stroom ingesloten hadden gehouden en toen hij met zijn sandalen op de grond gestampt had, was Hapi tevoorschijn gekomen. Madit ging voort de koning alles over Khnum te vertellen, dat hij woonde in een houten tempel vlak bij een steengroeve en dat hij het hoofd was van een gezelschap van goden dat bestond uit Anget, Hapi, Shu, Geb, Noet, Osiris, Isis, Nephthys en Horus. Vreemd toch dat zo'n belangrijke god bij de Egyptenaren die van zijn goede gunsten afhingen, zo weinig aandacht kreeg...

Djoser kwam zelf naar Elefantine om dat recht te zetten, en bezocht de tempel met veel offergaven: broden, bier, ganzen, ossen en allerlei andere heerlijke zaken. Plotseling verscheen Khnum zelf aan de koning en gaf hem een standje. Hij, de Schepper en Heer, had niet eens een fatsoenlijk heiligdom. Djoser kon best eens een mooie tempel voor hem bouwen. Tenslotte was hij degene die de Nijl deed opkomen en zo rijke oogsten aan Egypte schonk. Toen de koning het woord 'oogst' hoorde schrok hij wakker uit deze religieuze droom. Hij besloot meteen aan het werk te gaan. Kosten noch moeite werden gespaard en de beste werklui en kunstenaars aan het werk gezet om Khnum een prachtige nieuwe behuizing te geven. Voortaan moesten alle karavanen die uit de Soedan naar het noorden kwamen tol betalen aan de nieuwe tempel en alle smeden, mijnbouwers, metselaren en handwerkslieden moesten een tiende van alles wat zij verdienden als belasting betalen. [Bron Wikipedia - einde]

Indien we van dit verhaal de mystieke schil verwijderen rest er slechts de kern die reële feiten zou kunnen bevatten. Zecharia Sitchin verklaart de hongersnoodstele in zijn boek “De eerste tijd” op volgende manier [3]:

[Citaat] De Egyptenaren geloofden dat Khnum, nadat hij de heerschappij over Egypte had overgedragen aan Ra, zich terugtrok op het eiland Abu (Elephantine) waar hij twee holen maakte waarvan de sluizen zo konden worden ingesteld dat het water van de Nijl beheerst kon worden. De moderne Aswandam is op dezelfde wijze geplaatst boven de eerste cataract van de Nijl.
In de hoop dat de hongersnood en chaos voorkomen zouden kunnen worden door een direct beroep te doen op de godheid, reisde de koning (Djoser) naar het eiland Abu. Hem was verteld dat de godheid daar woonde ‘in een houten gebouw met portalen die van riet zijn gemaakt’. Daar bewaart hij ‘het koord en de tablet’ die hem in staat stellen ‘de dubbele sluisdeuren van de Nijl te openen’. Khnum verhoorde het gebed van de koning en beloofde ‘om het waterpeil van de Nijl te verhogen, water te geven en de gewassen te laten groeien.’ [einde citaat]

Het is duidelijk dat ook Sitchin er van uitgaat dat de omschrijving slaat op een afdamming op de Nijl en dat bij middel van sluizen het waterdebiet kon geregeld worden.

In de omgeving van Aswan liggen enkele eilanden in de Nijl. De belangrijkste in de oudheid waren, van noord naar zuid: Elephantine, Sehel en Philae.

De Nijl-eilanden
Omgeving van Aswan, eilanden in de Nijl.
Foto: Google Maps.

Home

Elephantine is een eiland in de rivier de Nijl, gelegen in het zuiden van Egypte, vlakbij het eerste cataract. Noord-zuid is ongeveer 1,2 km lang, en het is op het breedste punt ongeveer 400 meter. Het maakt deel uit van de Egyptische stad Aswan. Het andere eiland met Oud-Egyptische architectuur is Philae. Elephantine  stond bij de Oud Egyptenaren bekend als Abu of Yebu, en het ligt op de grens tussen Egypte en Nubië.  In het Middenrijk was het de cultusplaats van Chnoem (Khnum), Satet en Anuket. Op de Hongersnoodstele op het eiland Sehel wordt deze Triade ook genoemd. Volgens Egyptische mythologie was Elephantine de plaats waar Chnoem, de god van de cataracts met het hoofd van een Ram, verbleef. Hij hield het water van de Nijl in bedwang vanuit de grotten onder het eiland.

In een eerder hoofdstuk “Piramiden I” hebben we aangehaald wat Diodoros van Sicilië (boek 1/63) heeft geschreven over de bouw van de piramiden [4]:
“De achtste koning, Chemnis uit Memphis (Cheops), regeerde 50 jaar en bouwde de grootste van de drie piramiden die nu tot één van de zeven wereldwonderen worden gerekend….. volgens sommige schrijvers 1000 jaar geleden en volgens anderen meer dan 3400 jaar geleden gebouwd …. De bouw van de piramide gebeurde door middel van heuvels (dammen)…want er waren nog geen machines uitgevonden….er is niets meer van die heuvels (dammen) te zien. Die zouden volgens sommige Egyptenaren bestaan hebben uit zout en salpeter en zouden na de werken zijn afgesmolten en weggespoeld doordat men de rivier er liet instromen…. Dit berust echter niet op de waarheid, de rivier loopt veel te diep om die heuvels te kunnen overspoelen. Nee, de arbeiders bouwden de dammen en braken ze ook weer af…. 360.000 arbeiders werkten gedurende 20 jaar aan de piramide.”

In de Engelse vertaling van Diodorus’ werk staat het woord ‘mound(s)’ en dit kan vertaald worden als wal, dijk of heuvel. In het hoofdstuk “Piramiden I” hebben we een voorstelling gegeven van een heuvel die de hele piramide omsloot, dit geeft naar we veronderstellen het idee weer zoals Diodoros het voor had en zoals wellicht ook de meeste archeologen deze tekst interpreteren. Uit het vereiste volume om zo’n heuvel te bouwen is eerder al gebleken dat dit totaal onmogelijk te verwezenlijken moet geweest zijn, ook Diodoros zelf schreef dat dit verhaal niet klopte omdat de Nijl daar veel lager ligt en onmogelijk die heuvel omheen de piramide kon weggespoeld hebben. Indien we er echter van uitgaan dat het hem niet over een heuvel gaat maar over een wal, dijk of dam gaan de zaken er opeens heel anders uitzien. Het zou best kunnen dat het verhaal handelde over een dam op de Nijl, een dam die nodig was voor de bouw van de piramide(n). Na de bouw van de piramide(n) heeft men die dam terug afgebroken, indien het werkelijk om een dam op de Nijl ging kon men deze inderdaad laten wegspoelen.

Uit al het voorgaande durven we te veronderstellen dat er reeds ten tijde van farao Djoser ook al een dam op de Nijl bestond op ongeveer dezelfde plaats als waar nu de huidige grote Aswandam staat. Dit was naar onze mening de enig mogelijke oplossing om aan de vereiste waterdruk te komen. Om de bouwblokken tot helemaal boven op de top van de piramide te duwen met behulp van hydraulische toestellen was er een waterkolom nodig die tot wel 220 meter boven de zeespiegel stond. We veronderstellen daarom dat er een dam op de Nijl heeft bestaan die deze hoge waterkolom kon opbouwen.

De oorzaak dat er ten tijde van farao Djoser een zevenjarige hongersnood is geweest moet wellicht niet gezien worden als een gril van de natuur maar moet eerder gezocht worden in het feit dat Khnum veel te veel Nijlwater opspaarde in het stuwmeer achter de dam waardoor er in de lager gelegen gebieden een groot watertekort heerste, de oogsten mislukten en hongersnood ontstond.

De Nijl werd ingedeeld volgens cataracten en deze werden vaak door farao’s gebruikt als mijlpalen om de expansie van hun rijk naar het zuiden aan te duiden. Zo veroverde Thoetmosis I land in Nubië tot de vierde cataract. Zijn kleinzoon Thoetmosis III breidde de Egyptische macht zelfs uit tot voorbij de vierde cataract. [Bron Wikipedia] [2]

Ooit, in vroegere tijden, was de zuidelijke grens van Egypte gelegen aan de 1é cataract op de Nijl. Uit de mythe van Khnum kunnen we afleiden dat ten tijde van Djoser de zuidelijke grens van Egypte aan de eerste cataract was gelegen en dat de Oud Egyptenaren die sluizen als de bron van de Nijl beschouwden, het is dus alsof ze in die tijd nog geen enkel benul hadden waar de Nijl in werkelijkheid ontsprong en dat het land ten zuiden van de eerste cataract nog totaal onbekend gebied was.

Op Elephantine zouden dus enkele goden hebben geleefd waaronder ook Khnum. Archeologische opgravingen op dat Nijl-eiland hebben veel vondsten opgeleverd die naar Chnoem (Khnum) refereren. Ook zijn er vondsten uit de tijd van vóór de dynastieën. Toeval of niet maar ook de hongersnoodstele is te vinden op het eiland Sehel.

En, er is nog meer, we citeren uit het boek “De ogen van de Sfinx” van Erich von Däniken [5]:

[citaat] In het jaar 1889 ontdekte de Egyptoloog C.E. Wilbour op het kleine Nijl-eiland Sehel, ten Noorden van Aswan, een stèle met hiërogliefen. Sehel is nu nog een van de weinige plaatsen in Egypte waar de oude goden op prachtige rotstekeningen zijn vereeuwigd. De inscripties zijn in de vorige (19é) eeuw door de archeologen Brugsch, Pleyte en Morgan vertaald en in 1953 opnieuw door de Franse Egyptoloog Barquet ontcijferd. Ze zijn het er allemaal over eens dat de hiërogliefen op de zogenaamde “Famine-stèle” uit de Ptolemaeïsche tijd (omstreeks 300 v.Chr.) dateren, hoewel de tekst betrekking heeft op een periode van duizenden jaren daarvóór. Van de in totaal 2600 hiërogliefen op de stèle hebben er 650 betrekking op de synthetische vervaardiging van bouwstenen. Die kennis zou de Oud Egyptische scheppingsgod Chnoem de bouwer van de eerste piramide, farao Zoser (Djoser 2609 – 2590 v.Chr.) in een droom hebben ingefluisterd.
Dat moet een bijzondere droom zijn geweest, want Chnoem dicteerde de farao een lijst van maar liefst negenentwintig mineralen en verschillende natuurlijke chemicaliën en toonde hem bovendien de in de natuur voorkomende bindmiddelen waarmee de synthetische steen moest worden gemengd. Niet alleen Zoser, de bouwer van de trappenpiramide in Sakkara, kreeg dergelijke goddelijke boodschappen, maar ook zijn hoofdarchitect Imhotep, die later door de Egyptenaren als een god zou worden vereerd en naar wiens graf de archeologen tot nog toe tevergeefs hebben gezocht. [einde citaat]
 
Home

Samengevat zijn we tot de volgende veronderstellingen gekomen:
Voor de bouw van piramiden werd op een gegeven moment gebruik gemaakt van natuursteen (o.a. kalksteen en graniet). Het begon met de piramide van Djoser (derde dynastie) in Sakkara en dit ging nog zo door tot en met piramiden van de vijfde dynastie. De piramiden uit de vierde dynastie mogen beschouwd worden als het hoogtepunt van de piramidebouw, daarbij denken we vooral aan de grote piramiden op het Gizeh plateau waarvan Cheops’ piramide de grootste is en wordt bestempeld als een van de zeven wereldwonderen, het enige monument van die zeven dat nog bestaat.

Voor de bouw van de piramiden uit de vierde dynastie werden immens grote en zware kalksteenblokken gebruikt en tot op heden is het nog altijd niet helemaal duidelijk hoe de bouwers deze blokken tientallen meters naar omhoog hebben kunnen verplaatsen. De meest gangbare theorie is deze van een lange uitwendige sleephelling. We moeten ook de theorie van de inwendige sleephelling in aanmerking nemen, dit naar het idee van de Franse architect Jean-Pierre Houdin [6]. Volgens hem was er een uitwendige sleephelling tot op een hoogte van ong. 40 meter en vanaf die hoogte begint er volgens hem een inwendige sleephelling die als een spiraal tot in de top van de piramide reikt.

Wijzelf echter trachten het idee te verdedigen van “eenvoudige” hydraulische heftoestellen, één toestel of machine op iedere bouwlaag van de piramide. Hydraulische toestellen werkend op waterdruk, druk die afkomstig is van een hoge waterkolom die ontstond door de Nijl op een veel hoger punt af te takken en het Nijlwater in een gesloten kanaal tot bij de piramiden te leiden.

Ten tijde van Djoser was Aswan zowat tegen de zuidelijke grens van Egypte gelegen. De Nijl loopt daar ongeveer 110 meter boven de zeespiegel, indien er in die omgeving een gesloten kanaal begon en tot in Gizeh doorliep kon aan de voet van de piramiden een druk bereikt worden van ongeveer 5,5 kg'/cm² (waterkolom 55 meter boven de basis van de piramide, de basis ligt zelf ong. 55 meter boven de zeespiegel). Bij een dergelijke waterdruk is het vrij eenvoudig aan te tonen dat dit voldoende kon zijn om de bouwstenen naar boven te duwen tot op bouwlaag 34. Diezelfde druk kan zijn aangewend om de bouwstenen uit de boten te tillen en ze tevens over de opgaande weg te duwen, dit vanaf de “daltempel” tot aan de voet van de piramide.

Maar, vanaf bouwlaag 35 tot aan de top lukt dit niet meer, die druk van 5,5 kg/cm² is veel te klein om stenen tot op de hoogste bouwlagen te tillen. De piramide heeft een hoogte van ong. 146 meter en staat op het Gizeh plateau dat zelf al zo’n 55 meter boven de zeespiegel ligt. De top van de piramide zit dus zo’n 200 meter boven de zeespiegel, wou men daar aan de top nog over een druk beschikken van bijv. 2 kg/cm² dan had men aan de basis van de piramide een druk nodig van wel 16,5 kg'/cm² of dus een waterkolom van 165 meter (waterkolom tot op 220 meter boven de zeespiegel).

Voor een waterkolom van 220 meter boven de zeespiegel had men het Nijlwater via een gesloten kanaal moeten aftakken op een locatie minstens 1200 km ten zuiden van Gizeh. Dit is vrijwel onmogelijk en bovendien was dit veel zuidelijker dan Aswan, veel verder dan de zuidelijke grens van Egypte. Daarom moeten we wellicht gaan denken in de richting van een stuwdam, net zoals de huidige grote stuwdam op de Nijl met het daarachter liggend Nassermeer.

We denken aanwijzingen gevonden te hebben om het mogelijke bestaan van een dergelijke stuwdam aan te tonen, dit reeds ten tijde van farao Djoser. Hij was een farao uit de derde dynastie die de eerste trappenpiramide (in Sakkara) heeft gebouwd, dit gebruik makend van kalksteenblokken in plaats van modderstenen zoals zijn voorgangers hun piramiden hebben gebouwd. Om het bestaan van een dam op de Nijl aan te tonen moeten we ons echter baseren op een mythe, indien u niet kunt aannemen dat er waar gebeurde feiten kunnen schuilgaan in bepaalde mythes dan zal bovenstaande benadering u vast niet kunnen overtuigen. Een betere uitleg hebben we echter niet en bovendien durven we ook niet beweren dat we het bij het rechte eind hebben.

In de volgende hoofdstukken trachten we aan te tonen dat het inwendige van Cheops’ piramide een immens groot hydraulisch systeem is, dat de gekende gangen en kamers puur technische ruimten zijn en niets te maken hebben met geheime grafkamers van de farao. Ook hier weer is er nood aan een waterkolom die de nodige druk kan leveren. Voor deze theoretische benadering hebben we echter voldoende aan die druk van 5,5 kg/cm², een waterkolom van 55 meter boven de basis van de piramide is voldoende. Voor de verdere uitleg van het mechanisme in de piramide is die stuwdam helemaal niet nodig. Bovendien weten we van Diodorus dat die dam werd afgebroken na de bouw van de piramide(n), als die dam ooit echt bestaan heeft dan was die weeral verdwenen op het moment dat het hydraulisch mechanisme in de piramide in werking moest treden. Voor alle verdere beschouwingen, in latere hoofdstukken, zal die stuwdam dus niet meer ter sprake komen.

Waterkolom 55 meter
Een waterkolom tot 55 meter boven de basis van Cheops’ piramide.

Het enige waar we nog wel van uitgaan voor de benadering van dat hydraulisch systeem in  Cheops’ piramide is een gesloten, ondergronds kanaal dat begint bij een aftakking van de Nijl mogelijks in de omgeving van Aswan. Dat kanaal zou, in de omgeving van Aswan, op zowat alle denkbare plaatsen aan de Westelijke oever van de Nijl kunnen starten, waarom bijv. niet vanuit een oude Nilometer langs de Nijl? Het water van de Nijl zou dan verder kunnen gestroomd hebben in dat gesloten kanaal tot in het ondergronds complex van het Osirion, waar het water kon worden ontdaan van slib en luchtbellen. Mogelijks kon, vanaf het Osirion, dat water onder druk verder stromen, weeral in een gesloten kanaal, tot in de omgeving van de piramide(n). Als geschikte locatie denken we daarbij aan de onderste kamer onderaan de Osiris schacht, vanaf deze ondergrondse kamer vertrekt een nauw kanaal in de richting van Cheops’ piramide. Dat kanaal splitst zich al na enkele meters en gaat dus twee verschillende kanten uit. Tot op heden is men slechts een twintigtal meter ver in die nauwe schacht kunnen doordringen, toch durven we te veronderstellen dat een van beide aftakkingen in de onderaardse kamer in Cheops’ piramide zal uitkomen. Van de andere aftakking denken we dat die naar Chefren’s piramide kan lopen of in Cheops’ daltempel zal eindigen. Die laatste mogelijkheid zal wellicht niet meer kunnen achterhaald worden omdat die daltempel verdwenen is onder het moderne dorp aan de rand van het Gizeh plateau. En, er kunnen zelfs nog meer aftakkingen op dat nauwe kanaal zitten omdat die waterdruk mogelijks naar nog meer punten werd geleid.

Home

------------------------------------------------------------------------------------------

Verwijzingen bij hoofdstuk 19.

[1] – Het Giza Mapping Project. (GMP)
         http://oi.uchicago.edu/research/projects/giz/

[2] – Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie.
         Teksten en afbeeldingen onder GNU Licentie.  

         http://nl.wikipedia.org/wiki/Wikimedia_Commons
         http://nl.wikipedia.org/wiki/Creative_Commons
         http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.nl

[3] - Zecharia Sitchin.
        In zijn boek “De eerste tijd” – uitgeverij Tirion (NL versie)
        Originele titel “When Time Began”.

[4] - Diodoros van Sicilië (Diodorus Siculus).
        Diodorus Of Sicily – The Library Of History – Books I - II.34
        Grieks – met een Engelse vertaling van C. H. Oldfather.
        Harvard University Press – London. ISBN 0-674-99307-1
        Boek I / 63 pagina 215.
        http://nl.wikipedia.org/wiki/Diodoros_van_Sicili%C3%AB

[5]Erich von Däniken – De ogen van de sfinx
         A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij bv.  1990
         ISBN 90-218-0192 – 2

[6] - Houdin Jean-Pierre – Inwendige spiraalhelling.
        http://www.archaeology.org/0705/etc/pyramid.html
        http://en.wikipedia.org/wiki/Jean-Pierre_Houdin
        http://news.nationalgeographic.com/news/2007/04/070402-great-pyramid.html

Home