Eerste versie februari 2009.
Laatst aangepast 28 februari 2009.
Om wat meer te weten over hoe de piramiden werden gebouwd is het altijd handig eens te luisteren naar wat de schrijvers uit de oudheid te vertellen hebben.
Diodoros van Sicilië, of in het Latijn, Diodorus Sicul(l)us, (ca.90 v.Chr. – ca.30 v.Chr.) was een Grieks historicus afkomstig uit Agyrium (of, naar het Grieks: Agurion; in het Italiaans: Agira) op Sicilië. Hij schreef in Rome aan zijn magnum opus ten tijde van Caesar en Augustus.
Het enige werk dat hij schreef was de Bibliotheca Historica of "Historische Bibliotheek" Het was dan ook een enorme opgave: in totaal besloeg het veertig boeken. Nu zijn nog over delen 1 tot en met 5 en 11 tot en met 20. Van het overige zijn fragmenten bewaard gebleven in samenvattingen. Diodorus begon zijn werk met een indeling op geografische basis. De eerste boeken gaan over Egypte (dat hij zelf ook bezocht), Mesopotamië,India, Scythia Minor, Arabië, Noord-Afrika, Griekenland en Europa. Vanaf boek VII begint hij zijn versie van de geschiedenis van de wereld. De aanvang begint nog vóór de oorlog om Troje; de laatste gebeurtenis die Diodorus beschrijft is het begin van de oorlog in Gallië tussen Julius Caesar en verschillende Gallische stammen. (Bron Wikipedia).
Diodoros van Sicilië (boek 1/63) schreef zo’n 2500 jaar na de bouw van de piramiden er het volgende over [1]: “De achtste koning, Chemnis uit Memphis (Cheops), regeerde 50 jaar en bouwde de grootste van de drie piramiden die nu tot één van de zeven wereldwonderen worden gerekend….. volgens sommige schrijvers 1000 jaar geleden en volgens anderen meer dan 3400 jaar geleden gebouwd …. De bouw van de piramide gebeurde door middel van heuvels (dammen)…want er waren nog geen machines uitgevonden….er is niets meer van die heuvels (dammen) te zien. Die zouden volgens sommige Egyptenaren bestaan hebben uit zout en salpeter en zouden na de werken zijn afgesmolten en weggespoeld doordat men de rivier er liet instromen…. Dit berust echter niet op de waarheid, de rivier loopt veel te diep om die heuvels te kunnen overspoelen. Nee, de arbeiders bouwden de dammen en braken ze ook weer af…. 360.000 arbeiders werkten gedurende 20 jaar aan de piramide.”
In de Engelse vertaling staat wel degelijk ".... for three hundred and sixty thousand men, as they say, were employed on the undertaking, and the whole structure was scarely completed in twenty years"
In de Engelse vertaling van Diodorus’ werk staat het woord ‘mound(s)’ en dit kan vertaald worden als wal, dijk of heuvel. Waarschijnlijk, als interpretatie van deze tekst, zijn hieruit bij de Egyptologen volgende hypothesen ontstaan:
1 – Een zandheuvel die de piramide omhult.
Een zandheuvel omheen de piramide.
Een eerste hypothese is dat men een heuvel zou opgetrokken hebben met zand om zo de zware kalkstenen monolieten naar boven te trekken. Na iedere voltooide bouwlaag diende deze heuvel te worden verhoogd. Dit diende over de volledige lengte te gebeuren om een zeer gelijkmatige helling te bekomen. De hellingshoek van de heuvel mocht niet te groot zijn anders kon men die blokken nooit boven krijgen. Een helling van 10% zou zowat de maximum stijging geweest zijn, dit is 1 meter stijgen op een afstand van 10 meter of een hellingshoek van 5,7°.
Indien men op een dergelijke helling een steentje van zo’n 2,5 ton moest naar boven sleuren zal dit zeker niet gemakkelijk geweest zijn. Maar zelfs met een hellingshoek van slechts 10% zou die heuvel een diameter moeten gehad hebben van 2800 meter. De piramide van Cheops was origineel 146,6 meter hoog. Stel dat de hoogte van de zandheuvel in de laatste bouwfase een hoogte had van 140 meter. Die heuvel zou de vorm gehad hebben van een kegel met een cirkelvormig grondvlak, met een straal van 1400 meter en een hoogte van 140 meter.
Inhoud kegel = oppervlakte grondvlak x hoogte / 3.
= oppervlakte cirkel x 140 m / 3
= straal² x π x 140 m / 3 (π = pi = 3,14159)
= (1400 m)² x 3,14 x 140 m / 3
= 287.351.000 m³ of dus meer dan 287 miljoen m³
We kunnen ook de inhoud van de piramide zelf berekenen,
de hoogte was 146,6 meter
en de basis was een vierkant met een zijde van 230,384 meter.
Inhoud Piramide = oppervlakte grondvlak x hoogte / 3.
= oppervlakte vierkant x 146,6 m / 3.
= (230,384 m)² x 146,6 m / 3
= 2.593.686 m³
De inhoud van de zandheuvel is de inhoud van de gehele kegel min de inhoud van de piramide, dit is 287,351 – 2,593 = 284,758 miljoen m³ zand. De inhoud van de piramide is immens, de inhoud van zo’n zandheuvel zou nog 284,758 / 2,593 = 110 keer groter zijn geweest. De inhoud van Cheops’ piramide zou slechts 1% bedragen hebben van de zandheuvel. Het zal wel duidelijk zijn dat een dergelijke zandheuvel zeker niet de gebruikte werkwijze is geweest.
2 – Één sleephelling die tegen de piramide aanleunt.
Dit idee is waarschijnlijk oorspronkelijk afkomstig van Sir Flinders Petrie [5] en werd vele jaren geaccepteerd als de meest logische hypothese, tot op het moment dat er enkele wakkere geesten aan het rekenen zijn geslagen.
Een sleephelling om de steenblokken naar boven te trekken.
Sommige wetenschappers (o.a.Goyon [2]) hebben beweerd dat de hellingshoek niet meer dan 5 à 6 cm per meter (5 à 6 %) mocht bedragen (lengte helling 2400 à 2900 meter) waar anderen het dan weer op 10% hielden, dit is tevens de hoek die ook wij aanhouden en die zelfs de meest gunstige is om deze theorie te verdedigen (al verwerpen wij eigenlijk deze theorie). De lengte van de sleephelling zou op het einde van de bouwfase een lengte moeten gehad hebben van 1400 meter om met een constante hellingshoek van 10% (5,7°) tot op een hoogte van 140 meter te komen.
Om het eenvoudig te houden beschouwen we deze helling als zijnde een piramide met een driehoek als grondvlak. De berekende inhoud zal wel niet helemaal correct zijn, we kunnen dus enkele emmertjes aarde tekort komen. Nou ja … enkele emmertjes! Dit maakt eigenlijk niet zo veel uit, het is hier enkel de bedoeling om een idee te krijgen van de immense inhoud van een dergelijke sleephelling.
De inhoud van een piramide is gelijk aan:
I = (oppervlakte grondvlak x hoogte) / 3
I = (oppervlakte driehoek x hoogte) / 3
I = [(basis x hoogte) / 2) x hoogte)] / 3
I = [(170 m x 140 m) / 2) x 1400 m)] / 3
I = (11.900 m² x 1400 m) / 3
I = 5.553.333 m³ (5,55 miljoen m³)
De inhoud van Cheops' piramide zelf is 2,6 miljoen m³, de inhoud van een dergelijke sleephelling zou dubbel zo groot geweest zijn.
Een dergelijke sleephelling kon uiteraard niet gemaakt worden uit zand, het diende een steviger materiaal te zijn zodat de helling niet zou afschuiven. Aarde, klei of slib uit de Nijl zal wél de vereiste sterkte gehad hebben maar de bovenlaag zal wellicht uit een veel harder materiaal bestaan hebben, mogelijks lagen er bovenop de helling kalksteen- of granietplaten. Dit zou het mogelijk gemaakt hebben de steenblokken op sleden over de verharde hellingsweg te slepen tot op de in aanbouw zijnde trede van de piramide. De kalkstenen monolieten die werden gebruikt voor de bouw van de piramide wegen gemiddeld 2,5 ton met een maximum van 15 ton (Edwards [3]).
Er wordt aangenomen dat na het beëindigen van iedere bouwlaag de sleephelling over zijn gehele lengte werd verhoogd om tot op het niveau te komen van de volgende trede. Om de hellingshoek steeds gelijk te houden op 10% (5,7°) diende de helling niet alleen verhoogd maar eveneens verlengd te worden. De “straatstenen” op de hellingsweg dienden eerst verwijderd te worden en na de ophoging van de heuvel moest die weg dan opnieuw aangelegd worden. Al bij al een vrij tijdrovende bezigheid, ondertussen kon men geen nieuwe monolieten naar boven sleuren.
Een sleephelling van 1400m aanleggen op het oosten was onmogelijk.
Een bijkomend probleem was dat die lange sleephelling van 1400 meter enkel in noordelijke of zuidelijke richting kon worden aangelegd, een helling op het westen zou absurd geweest zijn omdat in deze richting de sleephelling steeds verder van het water kwam te liggen. De meest ideale richting was naar het oosten maar dit kon niet omdat de afstand van de piramide tot aan het water slechts 900 meter bedroeg, bij een stijging van 140 meter op een afstand van 900 meter is de hellingsgraad 15,55% en dit is, volgens de verklaringen van wetenschappers, een véél te steile hoek om steenblokken naar omhoog te slepen. In de laatste bouwfase moesten de stenen vanaf de boten op het water 900 meter ver getrokken worden naar het begin van de sleephelling en dan nog eens over een afstand van 1400 meter naar omhoog gesleurd worden tot aan de bovenste bouwlagen van de piramide.
3 – Meerdere sleephellingen.
Wij zijn tegenstander van alle hypothesen i.v.m. sleephellingen, waarschijnlijk werden deze nooit of bitter weinig toegepast in het Oude Rijk. Toch gaan we de mogelijkheid van meerdere sleephellingen eens nader bekijken.
Een tweede, kleinere helling op het oosten?
Het is mogelijk dat de steenblokken voor de onderste lagen werden aangesleept via een eerste kleinere helling op het oosten, onmiddellijk in de richting van het water. Deze zou kunnen gebruikt zijn nog voor de definitieve opgaande weg (van daltempel naar piramide) was aangelegd. Op de rotsbodem rusten de steenplaten van de vloerlaag (dikte ong. 0,5 m), daarboven werd de eerste trede aangebracht die bestaat uit 147 cm hoge monolieten. De steenblokken van de eerste laag mogen eigenlijk niet meegerekend worden omdat die niet naar omhoog dienden te worden getild. De trede daarboven is al wat minder hoog (gemiddeld 129 cm) en bij iedere volgende bouwlaag vermindert de dikte van de stenen nog meer, tot aan trede 17 die nog ‘slechts’ een hoogte heeft van 71 cm. Het zou best gekund hebben dat tot en met bouwlaag 17 werd gebruik gemaakt van een kleinere sleephelling op het oosten, mogelijks werd die uitsluitend verhoogd maar niet verlengd zodat de hellingshoek steeds maar toenam. Dit zou de reden kunnen zijn waarom die bouwlagen steeds dunner worden. Terwijl de kleine helling continu in gebruik was en steeds maar hoger werd kon men gelijktijdig aan de grote sleephelling gewerkt hebben met de bedoeling om vanaf laag 18 terug grotere blokken te kunnen gebruiken. Er zit echter géén vast patroon in de dikte van de lagen, het zou dus evengoed kunnen dat de bouwlagen enkel de dikte van het op dat moment beschikbare kalksteenbed in de steengroeve weerspiegelt. Zie ook "Corrected Great Pyramid Course Elevations"[5]
Opzij, opzij, opzij, zij hadden ongelofelijke haast!
Diodorus van Sicily (boek 1 – 63) [1] schreef dat de bouw van de piramide in 20 jaar werd voltooid, eenzelfde aantal jaren vinden we ook terug bij Herodotos [4] en dit is de duur die ook door Egyptologen wordt vooropgesteld.
Een bouwduur van 20 jaar komt neer op 7300 dagen (20 x 365), indien we er van uit gaan dat arbeiders in ploegen 24 op 24 uur werkten dan waren er 175.200 werkuren (7.200 dagen x 24 uur/dag) of 10.512.000 minuten (175.200 uren x 60 minuten/uur) beschikbaar om de bouw te voltooien, dit is het absolute maximum besteedbare tijd.
Het volume van de piramide 2.593.686 m³, verder wordt er aangenomen dat één steenblok gemiddeld een volume van 1 m³ heeft met een gemiddeld gewicht van 2.500 kg. Het komt er dus op neer dat er 2,6 miljoen blokken via de helling naar omhoog dienden gesleept te worden. Een kleine berekening leert ons dat er om de 4 minuten (10.512.000 minuten / 2.593.686 blokken) een steenblok op de in aanbouw zijnde trede van de piramide arriveerde. Dat impliceert uiteraard nachtwerk (hadden de farao’s dan toch licht?) maar in de realiteit zal men hoogstens 12 uur per etmaal zonlicht gehad hebben. Als er dan weer een bouwlaag voltooid was diende eerst de helling aangepast te worden aan de hoogte van de volgende bouwlaag. Op die manier blijft er al vlug slechts 1 à 2 minuten per steenblok over.
Om die en nog tal van andere redenen hebben dan weer andere archeologen de hypothese van een sleephelling, naar het idee van Sir Flinders Petrie, laten varen. Het ter plaatse deponeren van de steenblokken in de bouwlagen van de piramide alleen al was zeer tijdrovend, de inspanningen die nodig waren voor het bouwen, ophogen en het onderhouden van de sleephelling zou waarschijnlijk al evenveel tijd gevergd hebben als het bouwen van de piramide zelf. Het idee van een helling was wel heel goed doch het volume aan bouwstoffen en de bouwduur van de helling was veel te groot. Verder redenerend op dit idee is men gaan zoeken naar andere oplossingen, hieruit is het ontwerp gegroeid van een spiraalvormige sleephelling die op de schuine zijden van de piramide rustte.
Egyptische lengtematen.
In Egypte werd de koninklijke el gebruikt als lengtemaat voor de bouw van piramiden en tempels. Sir Flanders Petrie [5] heeft uit de piramide van Cheops de gemiddelde lengte van de toen gebruikte el kunnen afleiden en heeft die vastgelegd op 20,62 inch (1 inch = 2,54 cm). Dit komt neer, omgerekend naar onze eenheden, op een lengte van 0,523748 m. of 52,3748 cm.
Voor de gemiddelde lengte van de cubit, berekend voor alle piramiden van de 4é tot de 6é dynastie, kwam Petrie uit op 1 cubit = 20,63 inch (20,63 inch x 2,54 cm/inch = 52,40 cm).
Een (koninklijke) el wordt naar het Engels vertaald als (Royal) cubit, we gaan in het vervolg simpelweg het woord cubit(s) gebruiken als we het willen hebben over de koninklijke el. Voor het eenvoudig rekenen gaan we een beetje afronden en wordt in al wat volgt voor de cubit een waarde genomen van 52,36 cm omdat dit perfect deelbaar is door zeven en dan nog eens door vier. Een koninklijke el werd verder onderverdeeld in zeven (hand)palmen, iedere palm had een lengte van 52,36 cm / 7 = 7,48 cm. Iedere (hand)palm bestond op zich dan nog eens uit 4 digits (vingerbreedten), één digit is dus 7,48 cm / 4 = 1,87 cm. Voor de volgende tekeningen werd de oud Egyptische lengtemaat gebruikt zoals dit ook het geval was bij de bouw van de piramiden, het is bijv. veel logischer te vermelden dat de originele hoogte van de piramide exact 280 cubits was dan te moeten zeggen dat ze “exact” 146,608 meter was. Het is tevens veel eenvoudiger tekenen met gehele aantallen cubits dan in meter met een paar cijfers na de komma.
Het getal π (pi).
Het getal π (pi) is de verhouding tussen de omtrek en de middellijn van een cirkel. Dit getal is ongeveer 3,14159... en wordt voorgesteld door de Griekse kleine letter π (pi).
De wiskundige constante π is een irrationeel getal (het is zelfs transcendent). Dit houdt in dat π niet als een verhouding van twee gehele getallen te schrijven is en dat in de decimale voorstelling geen zich herhalend patroon voorkomt. De waarde van π kan daarom in decimale notatie alleen benaderd worden, want de reeks cijfers achter de komma is oneindig lang (Wikipedia [6]).
Volgens wetenschappers was π nog niet bekend in het Egyptische Oude Rijk, toch is er iets vreemd aan de koninklijke el. Een el verdelen in zeven is géén sinecure, ten tijde van het Oude Rijk moet dit nog veel moeilijker geweest zijn gezien ze op wiskundig vlak nog niet zo ver stonden als nu. De vraag is waarom 1 cubit nu precies uit zeven palmen moest bestaan.
Of men er zich in het Oude Rijk nu van bewust was of niet, een cubit van zeven palmen is een ideale lengtemaat om omtrekken van cirkels af te meten. In het dagelijks leven wordt voor π de waarde 3,14 genomen, meer dan 2 getallen na de komma gebruikt men zelden. Een rekenmachine stelt π = 3,141592654. In de tijd van vóór de zakrekenmachine, werd op school verteld dat π nauwkeurig kon voorgesteld worden als 22 / 7 = 3,142857. Indien men in het Oude Rijk bijv. een cilindervormige buis wou maken met een diameter van 1 cubit dan kon de omtrek héél simpel afgemeten worden op een meetstok.
Omtrek cirkel:
O = diameter v/d cirkel x π ..... (Stel π = 22 / 7)
O = 1 cubit x 22 / 7 ................ (1 cubit = 7 palmen)
O = 7 palmen x 22 / 7
O = 22 palmen
O = 3 cubits + 1 palm ..............(dit was zeer eenvoudig af te lezen op een meetstok)
Toeval? En wij maar beweren dat in het Oude Rijk men het getal π nog niet kende, indien dit getal inderdaad nog niet kon berekend worden dan hadden ze er toch al iets geniaals op gevonden.
De spiraalvormige sleephelling rustend op de treden van de piramide.
Het volume van een dergelijke spiraalvormige sleephelling is inderdaad veel kleiner dan de voorgaande, de problemen die zo’n constructie met zich meebrengt zijn echter veel talrijker en groter dan men op het eerste zicht zou vermoeden. Het mag dan wel het geesteskind zijn van wetenschappers, zo’n spiraalvormige sleephelling is zeker niet realistisch en zal vrijwel zeker niet gebruikt zijn door de piramidebouwers. Dergelijke hellingen konden onmogelijk opgetrokken worden uit aarde of klei, deze moesten ten minste bestaan uit gedroogde kleitabletten of baksteen. Alles wel beschouwd zou zo’n constructie nog veel meer tijd en energie gekost hebben dan de vorige.
Een enkele spiraal omheen de piramide met een hellingshoek van 10% (1 meter stijgen per 10 meter hellingsweg) komt overeen met een hoek van 5,7°, deze bereikt (bijna) de top met slechts 4 wikkelingen omheen de piramide. De totale lengte van de opgaande helling bedraagt 2489 (royal) cubits of 1303 meter (lengte van de segmenten opgeteld langs de denkbeeldige lijn van de mantelstenen).
Een sleephelling rustend op de treden van de piramide.
Een sleephelling die op de treden van de piramide rust zou er kunnen uitzien als in bovenstaande tekening. Er werd een sleephelling getekend met een breedte van 20 cubits (10,47m), dit voorbeeld is slechts een doorsnede die de horizontale treden van de piramide volgt, er werd geen rekening gehouden met de hellingshoek. De hoogte van het metselwerk voor deze sleephelling bedraagt minimaal ongeveer 26 cubits (13,6 m), dit is uiteraard afhankelijk van de bouwlagen van de piramide omdat niet alle treden even hoog zijn. In dit geval staat de opgaande staande muur vertikaal, een betere stevigheid zou bereikt worden indien deze muur een hoek van bijv. 9 à 10° naar buiten maakte (blauwe lijn) maar in dat geval zou de bouwhoogte van het metselwerk al 32 cubits (16,75 m) bedragen.
De hellingshoek van de spiraal maakt de constructie nog moeilijker.
Hoeveel arbeiders waren er nodig om een blok de helling op te slepen?
In feite speelt het aantal niet zo’n grote rol, er waren wellicht voldoende arbeiders zodat ze mekaar voldoende konden aflossen op de sleephelling. Bij die vraag gaat het hem eigenlijk meer om de totale lengte van de slede plus de benodigde werklui om die slede naar boven te kunnen trekken. De arbeiders dienden uiteraard in één rechte lijn met de slede te trekken, dit had als gevolg dat over de gehele lengte op de sleepweg een minimum rechte lijn moest kunnen gevormd worden. Dit was uiteraard geen enkel probleem op de rechte stukken maar wél van groot belang in de scherpe bochten van de spiraalvormige sleephelling.
Een steenblok van 2,5 ton slepen op een helling van 10%.
Bovenstaande tekening toont een sleephelling met een hellingshoek van 1 op 10, dit is gelijk aan 10% of een hoek van exact 5,71°. Op de helling ligt een steenblok met een volume van 1 m³ en een gewicht van 2.500 kg (2,5 ton). Indien de monoliet horizontaal zou liggen dan zou dit blok een loodrechte neerwaartse kracht van 2.500 kg’ uitoefenen op het grondvlak waar de steen op rust. Die steen ligt echter op een hellend vlak die een hoek maakt van 5,7° met de horizontale, de kracht blijft perfect loodrecht gericht maar wordt in nu verdeeld over 2 vectoren. De eerste kracht werkt loodrecht in op het grondvlak en de tweede werkt evenwijdig aan het grondvlak. Op de tekening is te zien dat er 2.488 van de 2.500 kg’ loodrecht op het grondvlak is gericht (grote groene pijl) en 249 kg’ evenwijdig aan dat grondvlak (kleine groene pijl).
Bovenstaande waarden kunnen eveneens wiskundig bepaald worden.
De kracht F1 loodrecht op het grondvlak:
F1 = 2.500 kg’ x cos 5,71°
F1 = 2.500 kg’ x 0,955
F1 = 2.487,6 kg’
De kracht F2 evenwijdig met het grondvlak:
F2 = 2.500 kg’ x sin 5,71°
F2 = 2.500 kg’ x 0,0995
F2 = 248,7 kg’
Men mag die 2 krachten niet rekenkundig optellen omdat het vectoren zijn.
F = F1+ F2 (vectoren) maar 2.500 kg’ ≠ 2.487,6 kg’ + 248,7 kg’ (rekenkundig).
Er werkt dus een kracht van 249 kg’ (kleine groene pijl) in op het blok die evenwijdig gericht is met het grondvlak, dit is een kracht die het blok de helling doet afschuiven. Zonder rekening te houden met de wrijvingskracht zal dit blok naar beneden afglijden en moet er een kracht van 249 kg’ uitgeoefend worden in de andere richting maar exact in het verlengde van de eerste kracht (rode pijl).
Meestal, zeker op een kleine helling van 6°, zal het blok niet verschuiven omdat de wrijvingskracht groter is dan de kracht die het blok naar omlaag wil doen schuiven. Het komt er dus op neer dat hier in dit geval de wrijvingskracht groter is dan 249 kg’. Hoe groot de wrijvingskracht nu exact is hangt af van vele factoren en wij gaan dit hier niet trachten te berekenen. Indien dit blok op een slede, onderaan eventueel voorzien van metalen stroken, zou getrokken worden over ingesmeerde hardstenen platen zou de wrijvingskracht heel sterk kunnen verminderd worden.
Hoeveel arbeiders waren er nodig en hoe groot was de wrijvingkracht ?
Geïnteresseerden kunnen dit thema verder bestuderen, onderstaande link gaat dieper in op de vraag hoeveel arbeiders er nodig zijn om een blok op de helling te trekken en hoe groot de wrijvingskrachten kunnen zijn (site in het Engels en Duits). Wijzelf hebben enige bedenkingen bij de grote aantallen arbeiders die worden opgegeven maar we laten u zelf oordelen. Op onze site gebruiken we de (foutieve, niet meer gebruikte eenheid) kg’ of kgf om een kracht uit te drukken, dit geeft een betere voeling met de realiteit, blijkbaar is dit ook de bedoeling geweest op onderstaande site.
Voor u deze site bezoekt willen we u nog het volgende meegeven: Citaat:Force exerted by each hauler: “We think, that each hauler was capable of developing a force of 12 kp (12 kp = 117.7N and 1kp = 9,80665 kg x m/s²).”
Met hauler(s) of hauling team(s) worden de arbeiders of trekker-teams bedoeld die de monolieten op de sleephellingen naar boven trokken. Bovenstaande tekst (in het geel) is alles wat we terugvinden als uitleg bij de gebruikte eenheden. Er wordt aangenomen dat één arbeider gedurende het naar boven trekken van de slede continue een kracht kon ontwikkelen van 12 kp.
(Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie).
De newton (symbool N) is de SI-eenheid voor kracht. De eenheid newton is gedefinieerd als de kracht die een massa van één kilogram een versnelling van 1 m/s² geeft:
Een massa van 1 kg ondervindt een (zwaarte)kracht van ongeveer 9,81 newton op Aarde. In het dagelijks leven en de wetenschap wordt dit ook vaak afgerond op 10 newton.
De newton is vernoemd naar Sir Isaac Newton.
Kilogramkracht of kilopond is een oude eenheid voor kracht. Het eenheidssymbool is kgf , kg’ of kp. Een kilogramkracht is het aardse gewicht van een massa van 1kg. Vroeger sprak men gewoon over kilogram wat op natuurlijk tot veel verwarring leidde.
1 kgf = 9,80665 N. (12 kgf = 12 x 9.80665 N = 117,7 N).
Kilogramkracht is geen SI-eenheid. Officieel gebruik is niet toegestaan.
In onderstaande site wordt dus aangenomen dat één arbeider, gedurende de gehele afgelegde weg van de sleephelling, continu een kracht kon ontwikkelen van 12 kg’
Deze site gaat héél grondig in op het thema afmetingen, bouw van de piramide, etc.
In verband met het naar omhoog trekken van steenblokken krijgt u er op deze site nog een nieuwe theorie bij, ook hier laten we u zelf oordelen.
Volgens bovenstaande gegevens zou een arbeider een kracht ontwikkelen van 12 kg’. Zonder rekening te houden met de wrijvingskracht zou op dat blok van 2,5 ton een trekkracht van 249 kg’ moeten uitgeoefend worden, dit zou dan een trekploeg vergen van minimum 20 man (249 kg’ / 12 kg’/man = 20,75 man).
Laat ons aannemen dat 18 man (3 rijen van 5 man die trekken + 3 man die de slede duwen) al zou volstaan om met dit blok de helling op te stormen. Hoe dan ook, voor de volgende tekeningen en berekeningen schatten we de nodige lengte, voor de slede samen met de arbeiders, op 12 cubits (6,3m) als het absolute minimum. In de realiteit waren er wellicht dubbel zoveel arbeiders nodig en was de lengte van de slede plus de werklui ook al dubbel zo lang. Wij rekenen met absolute minima en dat is uiteraard in het voordeel van de sleephelling-theorie.
Een sleephelling met een hellingsgraad van 15% (8,5°).
Nemen we terug een blok van 2.500 kg maar nu op een helling van 15% (8,5°) dan zien we dat de kracht, evenwijdig aan het grondvlak, al opgelopen is tot 371 kg’ (factor x 1,5). Wil men met hetzelfde aantal arbeiders en met dezelfde inspanningen de slede naar boven slepen dan zou de monoliet met dezelfde factor moeten verkleinen, dat blok zou dan nog 2.500 kg / 1,5 = 1667 kg mogen wegen of een hoogte van 67 cm mogen hebben. Mogelijks is dit wat er toegepast werd tot en met laag 17 van Cheops’ piramide, telkens een hogere bouwlaag werd begonnen werd de kleine sleephelling opgehoogd maar niet verlengd. Dit bracht mee dat de hellingshoek laag na laag groter werd wat mogelijks werd gecompenseerd door het kleiner maken van de steenblokken.
Een sleephelling met een breedte van 20 cubits (10,47 m).
Een kalksteenblok van 1 m³ op een slede met daarvoor bijv. 15 arbeiders die de slede voorttrokken (blauw rechthoekje) zal makkelijk een lengte gehad hebben van 12 cubits (6,3m). Om die slede om de hoek te kunnen trekken moest de sleephelling een voldoende breedte hebben. Op bovenstaande tekening werd een sleephelling getekend van 20 cubits (10,47 meter). De rode lijn is de weg die zou kunnen genomen worden om de bocht door te komen. Nu blijkt uit voldoende nauwkeurige tekeningen dat een breedte van 20 cubits niet kan worden aangehouden tot helemaal aan de top van Cheops' piramide.
Onderstaande afbeelding is een eenvoudige afdruk maar is wél afkomstig van een nauwkeurige Autocad® tekening. Uit deze is duidelijk geworden dat een breedte van 20 cubits (10,47 m) voor de sleephelling beneden aan de piramide géén enkel probleem vormt maar dat het aan de top gewoonweg onmogelijk wordt om die breedte aan te houden. Het laatste stuk, op nog 19,8 cubits (10,4 m) van de top, kan nog maximum een breedte hebben van 14,6 cubits (7,6 m). Het zou dus geen zin gehad hebben om beneden een comfortabele breedte van 20 cubits te voorzien voor de sleephelling indien die aan de top moest versmallen tot pakweg 14 cubits.
Een spiraalvormige helling omheen de piramide van Cheops.
Vier segmenten op iedere zijde om de top te bereiken.
Een sleephelling met een breedte van 20 cubits is bovenaan de piramide onmogelijk.
Een breedte van zo’n 14 cubits (ong. 7 m) van op de grond tot helemaal aan de top van de piramide zou dus wél gekund hebben. Indien de sleephelling rustte op de treden van de piramide beschouwen we 14 cubits als de grootst mogelijke breedte voor de sleephelling. We denken dat op een dergelijke breedte het moet mogelijk geweest zijn om gelijktijdig in beide richtingen mekaar te passeren, met uitzondering van de hoeken welteverstaan.
De maximum breedte voor een spiraalvormige sleephelling
met hellingshoek van 10% (5,7°)
bedraagt ong. 14 cubits (7,3m), boven aan de top lukt dit nog net.
Spiraal met 4 omwentelingen stopt op 22,6 cubits (11,8m) van de top.
Bij een breedte van 14 cubits bedraagt de hoogte 17,8 cubits (9,3m).
Een sleephelling met een breedte van 14 cubits,
de hoek nemen wordt al een heel stuk moeilijker.
Vertrekkend vanaf het idee van een spiraalvormige sleephelling zijn er meerdere theoretische modellen ontstaan. Zo bedacht prof. Georges Goyon één enkele spiraal met een breedte van 17 meter, dat komt overeen met ong. 32,5 cubits. We gaan niet zeggen dat dit onmogelijk is, maar toch, in onze tekeningen lopen we al vast met 17 cubits en een breedte van 14 cubits lijkt ons ongeveer het maximum haalbare.
Een nog smallere opgaande helling met een breedte van 10 cubits.
In dit geval moesten er mogelijks enkele hoekstenen weggelaten worden.
De meest gangbare theorie spreekt zelfs over 2 evenwijdige spiralen omheen de piramide, één voor de volle sleden naar boven te sleuren en de tweede om met de lege sleden terug naar beneden te donderen. Wij hebben er geen flauw idee van hoe die klus zou moeten geklaard worden bovenaan de top.
Er bestaan nog straffere theorieën, volgens Dunham was het mogelijk om 4 spiralen omheen de piramide te bouwen. Op zijn schets is te zien dat op iedere zijde er één spiraal begon, ze rusten wel degelijk op de flanken van de piramide en draaien alle vier evenwijdig aan mekaar tot (bijna) aan de top. Van dit idee mogen we gerust verklaren dat het totaal onmogelijk is.
Al meerdere jaren hebben we de theorie van de dubbele en zelfs van de vierdubbele spiraal klakkeloos geaccepteerd omdat deze hypothesen van wetenschappers kwamen, het is pas als men er nauwkeurige tekeningen wil van maken dat de problemen naar boven komen. De waarheid is wellicht zoals o.a. Hodges [7] het stelde, “dat de spiraalhellingen inderdaad veel minder materiaal vereisten maar nooit de top zouden bereikt hebben”.
Als die spiraalhellingen dan toch de top zouden bereikt hebben is het omdat die hellingen niet op de treden van de piramide zouden rusten maar deel zouden uitmaken van een véél grotere piramide omheen de originele. In dat geval zou het volume, nodig voor deze spiralen, veel groter worden dan voor de rechte sleephelling. Welk nut zou het dan gehad hebben om voor een spiraalvorm te kiezen?
4 – De inwendige spiraalhelling.
Ja, de oplossing kan nóg complexer gemaakt worden! In plaats van een spiraal aan de buitenkant van de piramide te bouwen zou men deze eenvoudiger kunnen hebben uitgespaard in de massieve kern van de piramide. Dit is alvast de mening van de Franse architect Jean-Pierre Houdin. Het idee is gegroeid uit het feit dat er op een hoek van de Cheop’s piramide een nis (holte, uitsparing) werd gevonden. Nu is de theorie van Houdin juist op dergelijke uitsparingen gebaseerd, hij al jaren bezig om dit trachten te bewijzen. Deze hypothese gaan we hier niet verder bespreken, indien u op het internet op zijn naam zoekt dan krijgt u al vlug genoeg stof voor enkele weken leesplezier. [8]
Bedenkingen.
Het is slechts een persoonlijke mening maar alles wel beschouwd lijkt het erop dat één of meerdere rechtlijnige sleephellingen nog de eenvoudigste en meest logische oplossing is die de bouwers zouden kunnen gebruikt hebben. Een groot nadeel is het feit dat er inderdaad immense hoeveelheden bouwstoffen voor die sleephelling dienden aangevoerd te worden wat een korte bouwperiode van 20 jaar onmogelijk lijkt te maken. Wij gaan er van uit dat er voor de bouw van de piramiden géén gebruik gemaakt werd van sleephellingen.
[1] - Diodoros van Sicilië (Diodorus Siculus). Diodorus Of Sicily – The Library Of History – Books I - II.34
Grieks – met een Engelse vertaling van C. H. Oldfather.
Harvard University Press – London. ISBN 0-674-99307-1
Boek I / 63 pagina 215. http://nl.wikipedia.org/wiki/Diodoros_van_Sicili%C3%AB
[2] - Goyon Georges – Die Cheops-Pyramide.
[3] - Edwards I.E.S – De piramiden van Egypte (1947).
Uitgeverij Hollandia – Nederlandse vertaling
Derde druk - 1985 - ISBN 90 6045 559 2 [4] - Herodotos – Het verslag van mijn onderzoek.
Uitgeverij SUN – 2é druk 1995 – ISBN 90 6168 442 0
Boekdeel 2 – 124 pagina 185.
Dit boek kan online geraadpleegd worden op onderstaande link.
voor een tabel van de bouwlagen van Cheops's piramide zie ook het tabblad
"Corrected Great Pyramid Course Elevations" op onderstaande link. http://www.ronaldbirdsall.com/gizeh/index.htm