Eerste versie oktober 2008.
Bijgewerkt op 6 maart 2009.
De zeven dagen van de Schepping, vier tijdperken met beschaving.
In de zeven dagen van de Schepping is het pas op de zesde dag dat de heren van God werden geschapen, dit zijn de goden uit de mythische verhalen. In de zevende dag volgden de halfgoden, stervelingen zoals wij en de reuzen of de "geweldenaars uit die tijd" genoemd. Vóór de zesde dag waren er, buiten God de Vader uiteraard, nog geen intelligente wezens op aarde. Intellect of beschaving was er dus enkel in de zesde en zevende dag, ieder etmaal van de Schepping bestond uit een nacht en een dag. We hebben in eerdere hoofdstukken trachten aan te tonen dat met de nacht eigenlijk een ijstijd werd bedoeld en dat de dag als een warmere periode kon beschouwd worden. We veronderstellen dat Iedere dag van de Schepping een tijdsduur had van zo'n 72.000 jaar (20 sars), met eerst een nachtperiode of ijstijd van 36.000 jaar (10 sars) en daarna een dagperiode of warme cyclus van eveneens 36.000 jaar (10 sars). Niettegenstaande de Schepping zeven dagen duurde zijn er dus maar vier tijdperken met intelligente wezens, laat ons deze eens nader bekijken.
Eerste tijdperk = de ijstijd van de zesde dag van de Schepping.
Tweede tijdperk = de warme periode van de zesde dag
Derde tijdperk = de ijstijd van de zevende dag van de Schepping.
Vierde tijdperk = de warmere periode van de zevende dag, deze is nog niet
helemaal voorbij, het is de periode waarin wij nu leven.
Het eerste, tweede en ook het derde tijdperk duurden grofweg 36.000 jaar, momenteel leven we in het vierde (en laatste?) tijdperk en daarvan kennen we de exacte lengte (nog) niet, we kunnen veronderstellen dat dit eveneens zo'n 36.000 jaar zal zijn maar zolang we het mechanisme niet begrijpen kunnen we enkel maar veronderstellingen maken. We gaan er van uit dat op het einde van iedere periode de aarde ondersteboven keerde wat veroorzaakt werd door een passage van Nibiru tijdens een conjunctie van meerdere van onze binnenplaneten. Nibiru kruist om de 3.600 jaar de banen van onze planeten, slechts elke tiende passage is er een unieke conjunctie van onze planeten en draaide onze planeet ondersteboven. Die perioden waren zeer duidelijk afgelijnd door de grote catastrofen, ijstijden en warme perioden wisselden mekaar af in een cyclus van ong. 36.000 jaar, telkens met zeer abrupte overgangen. We kunnen alle gevonden gegevens in een tabel samenbrengen.

6é en 7é dag van de Schepping, 2 ijstijden en 2 warme perioden.
3 Tijdperken van 36.000 jaar + het vierde tijdperk 18.720 jaar?
Hoe we aan die data komen moet nog duidelijk worden in de volgende hoofdstukken, we geven deze nu reeds mee om een algemeen overzicht te krijgen. Buiten het feit dat er reeds heel lang vóór de zondvloed goden op aarde leefden zijn de eerste drie tijdperken minder belangrijk dan het vierde, dit is de cyclus na de zondvloed en tevens het tijdperk waarin we leven. We hopen de exacte datum van de zondvloed terug te vinden om vanaf dat punt onze geschiedenis te reconstrueren.
Een vergelijking met de Sumerische koningslijst.
De koningslijst [1] [2] is een Oudsumerische tekst die een opsomming geeft van alle koningen die geregeerd hebben vanaf de Creatie tot aan de finale Semitische verovering. Deze lijst bevat zowel de mythische- als de historische tijden. De predynastieke koningen leefden ongelooflijk lang en regeerden in één van de vijf originele steden van vóór de vloed.
Men zou geneigd zijn te denken dat met een dergelijke koningslijst het toch vrij eenvoudig moet zijn om de chronologie van de Sumerische beschaving op te stellen maar dat is allesbehalve het geval. De eerste koningen worden als mythische verzinsels beschouwd vanwege de ongelooflijk lange regeerperioden, soms tot wel 43.200 jaar. Bovendien beweren archeologen dat er omstreeks 10.000 v.Chr. nog absoluut geen sprake kon zijn van enige beschaving, de koningslijst gaat echter nog veel verder terug in de tijd en wordt daarom niet aanvaard door wetenschappers.
Dat de aarde om de 36.000 jaar ondersteboven keert is onze hypothese en wetenschappers zullen dit vast bestempelen als de grootste nonsens die ze ooit in hun leven hebben gehoord. Voor hen bestaat er slechts één catastrofe, de zondvloed, en zelfs die wordt door sommigen ook al als een fabeltje beschouwd. Zij die de zondvloed wel reëel achten situeren die omstreeks 3.100 à 2.900 v.Chr.
Volgens archeologen moet een wereldwijde zondvloed sporen nagelaten hebben in de geologische lagen. Overstromingen voeren modder mee die gedeponeerd wordt op het vasteland. Die afzetting moet terug te vinden zijn in de geologische lagen maar geologen kunnen geen dergelijke laag vinden die zo’n 16.000 jaar oud is. Dit zet het geloof in een wereldwijde overstroming op de helling.
Er werd wél een dergelijke sedimentlaag gevonden in Irak maar die werd met zekerheid gedateerd op ongeveer 2.900 v.Chr., dit was een lokaal fenomeen en zeker geen wereldwijde catastrofe. Laat ons hopen dat hun datering van de zondvloed niet enkel berust op dit feit of op het epos van Gilgamesh, dit zijn geen afdoende argumenten.
Vrijwel in iedere hedendaagse verklaring van de koningslijst is dit gegeven terug te vinden:
[1] [2] Opgravingen in Irak hebben het bewijs geleverd van een vloed in Shuruppak en andere Sumerische steden. Een laag sediment onderbreekt de continuïteit van de nederzettingen, deze werd gedateerd op 2.900 v.Chr. Deze laag strekt zich nog verder noordelijk uit tot zelfs aan de stad Kish. Polychroom aardewerk uit de Jemdet Nasr periode (3.100 à 2.900 v.Chr.) werd gevonden juist onder deze sedimentlaag.
Door dit feit zijn archeologen tot de overtuiging gekomen dat de zondvloed geen wereldwijde catastrofe is geweest maar enkel een lokale overstroming die alleen Sumerië heeft getroffen. Als archeologen deze sedimentlaag dateren tussen 3.100 en 2.900 v.Chr. zal dit wel correct zijn, ook deze catastrofe kan mogelijk iets te maken hebben met Nibiru want deze passeerde in 3.113 v.Chr. voor de laatste keer tussen Mars en de aarde. De vraag is enkel wat dit met de wereldwijde zondvloed heeft te maken.
Van Gilgamesh wordt hedendaags aangenomen dat hij werkelijk een historische koning was, dat hij echt bestaan heeft. Hij zou omstreeks 2.600 v.Chr. geregeerd hebben. Het epos vertelt over de daden van koning Gilgamesh kort na de vloed, dit is een bijkomend argument voor wetenschappers om de zondvloed omstreeks 2.900 v.Chr. situeren. We nemen aan dat Gilgamesh een echt bestaande halfgod en koning is geweest die omstreeks 3.100 v.Chr. geleefd heeft maar gezien het feit dat het echt een halfgod was is de kans groot dat hij omkwam tijdens de oorlog met de goden. Het epos van Gilgamesh is waarschijnlijk een poging van Sumeriërs om hun koning in een beter daglicht te zetten en mogelijks om te verdoezelen dat hij werd omgebracht als straf van de goden. Wellicht verdwenen alle halfgoden van de aardbol omstreeks 3.113 v.Chr. en het is onwaarschijnlijk dat hij zou gespaard gebleven zijn. De overstromingen omstreeks die periode kunnen in het epos omschreven staan als de zondvloed. Maar, was deze overstroming werkelijk de zondvloed?
Wijzelf zitten met het jaartal 14.345 v.Chr. voor het omklappen van de aarde, we gaan ervan uit dat die datum moet gekozen worden voor het einde van de predynastieke koningen.
Van de mythische koningen wordt momenteel gezegd dat absolute data niet beschikbaar zijn omdat die regeerperioden van vele duizenden jaren worden verworpen. Geleerden hebben eerder de neiging te beweren dat die mythische koningen niet bestaan hebben en als dat dan toch het geval was kunnen ze volgens hen vast niet geregeerd hebben over zulke lange perioden. Die koningen worden geplaatst in het vroege brons 1 gaande van ong. 3.200 v.Chr. of iets vroeger tot aan de zondvloed, die volgens archeologen omstreeks 2.900 v.Chr. moet hebben plaats gevonden. De acht koningen van vóór de vloed worden in een tijdperk van zo’n 300 jaar ondergebracht en dit wordt reeds als een te grote periode beschouwd. Indien die koningen als stervelingen worden aanzien dan is een regeerperiode van dertig jaar per koning voldoende, op die manier kunnen er dus makkelijk 8 koningen geplaatst worden binnen een periode van 300 jaar. Het zal wellicht nooit aanvaard worden dat die koningen enkele duizenden jaar oud konden worden, we hebben ontdekt dat goden blijkbaar een gemiddelde leeftijd van 6.300 jaar konden bereiken. We hebben reeds eerder vermeld dat we evenzeer een probleem hebben met regeerperioden van 43.200 jaar, we weten eigenlijk ook niet hoe dit te verklaren valt.
De vijf steden uit de predynastieke periode:
Wat volgt is een opsomming van de 5 steden van vóór de zondvloed plus de koningen en het aantal jaren dat ze in die stad hebben geregeerd. De perioden werden uitgedrukt in sars (3.600 jaar) en ners (600 jaar).
-----------------------------------------------------------------------------------
Nadat de koningen waren nedergedaald uit de hemel werd het koningschap geïnstalleerd in Eridu,
Alulim werd koning en regeerde gedurende 28.800 jaar.
Eridu.
Alulim 8 sars 28.800 jaar.
Alalngar 10 sars 36.000 jaar.
Totaal 64.800 jaar of 18 sars.
Volgens sommige Sumerische tradities was Eridu de eerste stad gebouwd door mensen.
Het was de thuisstad van Adapa, de Babylonische Adam uit de Bijbel.
Indien het niet de oudste stad is, dan heeft ze toch de oudst gekende tempels.
Bad-Tibira.
En-men-lu-ana 12 sars 43.200 jaar.
En-men-gal-ana 8 sars 28.800 jaar.
Dumuzid 10 sars 36.000 jaar.
Totaal 108.000 jaar of 30 sars.
Deze stad lag op de Sumerische vlakte ruwweg tussen Ur en Lagash.
Het was een onbelangrijke stad in latere historische tijden.
Larak.
En-sipad-zid-ana 8 sars 28.800 jaar.
Deze stad is niet teruggevonden maar er wordt verondersteld
dat ze aan de Tigris lag ten oosten van Kish.
Sippar.
En-men-dur-ana 5 sars en 5 ners 21.000 jaar.
De meest Noordelijke van de Sumerische steden.
Shuruppak.
Ubara-tutu 5 sars en 1 ner 18.600 jaar.
De thuisstad van Ziusudra, the Sumerische Noach.
Hij was een prins of nobele en mogelijk de zoon van Ubartutu.
Het is tevens mogelijk dat hij ooit regeerde als koning (= een god?).
Is dit de bevestiging dat Noach de zoon was van een god?
Toen kwam de vloed en toen die voorbij was en de koningen waren nedergedaald
uit de hemel werd de zetel van het koningschap geïnstalleerd in Kish.
---------------------------------------------------------------------------------------------------
Volgens onze hypothese zijn er vóór de vloed drie perioden geweest van 36.000 jaar (samen 108.000 jaar) waarin er heel intelligente wezens (heren van God) leefden op aarde. Indien we alle regeerperioden van de koningen van vóór de vloed optellen dan komen we op een totaal van 241.200 jaar, dat verschilt enorm van de periode die wij hebben gevonden. Toch kan die 108.000 jaar correct zijn, we mogen de jaren van al die steden niet gewoon samentellen omdat die steden naast elkaar bestonden en iedere “stadstaat” zijn eigen koning had, er kunnen dus gelijktijdig tot 5 koningen geweest zijn in die vijf stadstaten maar de hoofdzetel van het koningschap was slechts in één van die steden.
Door het feit dat van Eridu gezegd wordt dat het de eerste stad was die door mensen werd gebouwd gaat men ervan uit dat Eridu de allereerste stad was vóór de vloed. Bovendien vinden we terug dat het koningschap in Eridu werd gevestigd nadat de koningen uit de hemel waren neergedaald. Wetenschappers mogen dan wel beweren dat ze daarin niet geloven, toch is dit een reden om aan te nemen dat Eridu de allereerste stad van Sumerië was.
Van ons standpunt gezien weten we dat er vóór de laatste ijstijd drie eerdere tijdperken zijn geweest van 10 sars of 36.000 jaar, in totaal 108.000 jaar. De Sumeriër die indertijd de koningslijst heeft opgesteld schrijft wél dat de koningen uit de hemel waren afgedaald maar vergat te vermelden dat ze uiteraard eerst naar de hemel zijn opgestegen. Volgens mythische verhalen en ook volgens schrijvers uit het antieke Egypte en Griekenland waren de goden de allereerste intelligente wezens op aarde. Deze goden waren de heren van God uit de zesde dag van Gods Schepping en zij werden op aarde geschapen, de aarde was hun thuisplaneet. Het gaat dus nooit over “aliens” komende van andere zonnestelsels. Als die goden afdaalden uit de hemel komt dit erop neer dat ze eerder ten hemel waren opgestegen, zo simpel is dat. Zij hadden de aarde moeten verlaten op het einde van de eerste periode om de catastrofe, als gevolg van het omklappen van de aarde, te ontvluchten. Het is dus logisch dat de goden na enige tijd naar de aarde terugkeerden, het was hun thuis.
Niet Eridu was de allereerste stad maar Bad-tibira, dit om de simpele reden dat die stad tot aan de vloed eveneens 30 sars of 108.000 jaar bestaan heeft. Dit is exact dezelfde lengte als voor de drie tijdvakken. Bad-tibira werd gebouwd door de goden, zij waren in het begin wellicht slechts met enkelen en bovendien was het eerste tijdperk een ijstijd. Veel gebouwen werden er dus niet opgetrokken en zeker geen heel grote monumenten of tempels. Op het einde van het eerste tijdperk (Genesis zesde dag ijstijd, na ongeveer 36.000 jaar), hebben de goden de aarde verlaten en zijn pas na jaren teruggekeerd uit de hemel. Toen ze terug kwamen was het in de 2é en warme periode in zesde dag van de Schepping. Hun eerste stad, Bad-tibira, moet vast in puin hebben gelegen en dus bouwden zij een nieuwe stad, met name Eridu.
Van Eridu wordt beweerd dat dit de eerste stad was die door mensen werd gebouwd en dus niet door de goden, het gaat hier over de zesde dag van de Schepping en wij werden pas in de zevende dag geboetseerd. De mensen die Eridu gebouwd hebben kunnen dus best Neanderthalers geweest zijn, er is vrijwel geen andere keuze. Het was een warme periode en er waren mensen dus werd er veel meer gebouwd en werden er eveneens tempels opgericht, dit waren indertijd werkelijk de woonplaatsen van de goden. Later werd Eridu de thuisstad van Adapa, dit moet in de derde periode geweest zijn, in het begin van de zevende dag van de Schepping ten tijde van koning Alalngar (van 50.345 tot 14.345 v.Chr.).
Indien we alle regeerperioden voor beide steden in een tabel samenvatten wordt alles veel duidelijker.

Bad-tibira en Eridu, de eerste twee Sumerische steden van vóór de vloed.
We veronderstellen dat Bad-tibira de allereerste stad was van de goden vóór de zonvloed. We gaan ervan uit dat de goden de aarde verlieten op het einde van het eerste tijdperk, na 10 sars. Volgens bovenstaande tabel zou dit in 86.345 v.Chr. moeten geweest zijn. We zien echter dat de regeerperiode van Enmenluana langer is geweest, namelijk 12 sars. Op het eerste zicht klopt onze redenering niet, het zou ook kunnen dat niet alle goden ten hemel zijn opgestegen en dat koning Enmenluana samen met nog anderen op aarde zijn gebleven. Indien ze op aarde bleven bestond de mogelijkheid dat ze omkwamen in de catastrofe op het einde van het eerste tijdperk maar naar de hemel opstijgen moet al even gevaarlijk geweest zijn.
Wat moeten we ons voorstellen bij dat ten hemel stijgen? Dat veronderstelt uiteraard ruimtetuigen maar dat betekent zeker nog niet dat ze gedurende honderden jaren in de ruimte leefden. Het meest logische was uiteraard een basis op te richten op een of andere planeet, de grote vraag is uiteraard welke.
Hedendaags is de moderne mens druk bezig met het verkennen van de planeet Mars en men is zinnens om daar een basisstation te bouwen. Er werd onlangs bevestigd dat er water is op Mars en er is mogelijkheid om daar te leven, het meest logische zou zijn dat de goden eveneens naar Mars waren getrokken. Toch blijkt dat niet het geval te zijn geweest anders hadden we toch al lang een teken van leven van hen ontdekt. Op het eerste zicht is Mars best geschikt, waarom werd dan voor een andere oplossing gekozen? Was Mars te veraf om massaal daar naartoe te trekken? De goden hebben er waarschijnlijk voor gekozen naar Nibiru te trekken en daar gedurende jaren te overleven.
[3] [Zecharia Sitchin] Volgens de Sumeriërs waren er op Nibiru andere, intelligente wezens, die op de ontwikkeling van de mensen op aarde ver vooruit waren. De Sumeriërs noemden hen Anunnaki; “zij die uit de hemel naar de aarde kwamen”. In Sumerische teksten is herhaaldelijk terug te vinden dat de Anunnaki lang geleden van Nibiru naar de aarde waren gekomen. Toen ze hier waren, maten ze de tijd niet in aardse jaren maar in Nibiru -jaren. De eenheid van die goddelijke tijd, een jaar van de goden, was de sar [Zecharia Sitchin].
In het begin van zijn boek “de eerste tijd” beschrijft Zecharia Sitchin dat de planeet Nibiru niet tot ons zonnestelsel behoorde maar dat die van elders anders kwam. Nibiru is uit het donkere en ijskoude heelal naar ons zonnestelsel gekomen, toch zouden er intelligente wezens op die planeet hebben geleefd die naar de aarde zijn gekomen. Sitchin geeft daar geen verklaring voor, men zou dus geneigd zijn te veronderstellen dat die Anunnaki reeds op Nibiru woonden toen die nog tot een ander zonnestelsel behoorde. Dit is zeer onwaarschijnlijk, temeer omdat we ervan uit gegaan zijn dat die planeet heel lang geleden moet afgestoten zijn door een uitdovende ster waarbij alle leven werd uitgeroeid. De meest logische verklaring is dat de Anunnaki in eerste instantie van de aarde naar Nibiru zijn uitgeweken.
Indien inderdaad een aantal heren van God vertokken zijn naar Nibiru dan moet dit omstreeks 85.345 v.Chr. geweest zijn, Het bizarre is dat Eridu pas 2 sars later werd gesticht. In de tabel is een rood vak te zien, dit stelt die periode voor van 2 sars of 7.200 jaar. Het is vrij logisch dat de goden pas terugkeerden naar de aarde bij de volgende passage van Nibiru, als die dicht langs de aarde passeerde. Waarom zouden de goden een ruimtereis ondernomen hebben als ze nog heel ver verwijderd waren van de aarde, temeer dat Nibiru toch vrij dicht de aarde zou kruisen. Een periode van 1 sar zou dus vrij logisch zijn maar het gaat hem echter om 2 sars. Na 3.600 jaar passeerde Nibiru de aarde en toch zijn de goden niet teruggekeerd. Goden of niet, het is best mogelijk dat ze nog niet de mogelijkheid hadden om terug te keren. Naar Nibiru vertrekken is één zaak, daar een basis opzetten om te overleven en ook nog één of meerdere ruimteschepen bouwen om terug te keren naar de aarde is heel iets anders. We mogen niet vergeten dat Nibiru slechts enkele honderden jaren in de nabijheid van onze zon vertoeft, de grootste tijd van haar omloop zwerft die in het ijskoud heelal. Het mag al een wonder heten dat de goden het overleefd hebben. Hoe dan ook, Eridu werd pas 2 sars na het einde van het eerste tijdperk opgericht. Daarom is het aannemelijk dat de goden gedurende 2 sars op Nibiru hebben geleefd eer ze terug naar de aarde zijn afgedaald. "Nadat de koningen waren nedergedaald uit de hemel werd het koningschap geïnstalleerd in Eridu", die zin uit de koningslijst is dus nog steeds geldig.
Nergens in Sumerische teksten staat te lezen dat de goden op het einde van het 2é tijdperk de aarde opnieuw verlaten hebben maar de stad Larak werd gesticht ook weer 2 sars na het einde van een tijdvak. Dit doet vermoeden dat er terug eenzelfde scenario is geweest op het einde van de tweede periode in 50.345 v.Chr. Wellicht hebben de goden opnieuw de aarde verlaten omstreeks 50.345 v.Chr. en zijn ze pas in 43.145 v.Chr. van Nibriru teruggekeerd. Indien dit werkelijk zo was dan kan de eerste mens Adapa pas ontstaan zijn vanaf 43.145 v.Chr.
Genesis 2-5 Begin zevende dag ...waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want de heer [van] God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen.....
"Er was nog geen mens om de grond te bebouwen" - dit voelt aan alsof de goden in eerdere perioden ook al mensen gehad hebben om het land te bewerken, om hen te dienen. Adam komt pas later, de enigen die in dit perspectief aan bod kunnen komen zijn de Neanderthalers. zijn dit ook al genetische manipulaties geweest?

Larak werd 7.200 jaar na het einde van het 2é tijdperk gesticht.
Het ziet ernaar uit dat de goden omstreeks 50.345 v.Chr. de aarde een 2é maal verlieten en opnieuw opstegen naar Nibiru om daar te overleven, dit weer gedurende 7.200 jaar. Eigenlijk is dit logisch, de goden hadden deze catastrofe reeds eerder meegemaakt en nu zou deze nog veel erger zijn omdat het een overgang was van een warme periode naar een ijstijd. Vrijwel alle ijskappen waren gesmolten op het einde van het 2é tijdperk en het zeeniveau stond toen veel hoger, de vloedgolven zouden dus nog groter zijn dan op het einde van het eerste tijdperk. Omstreeks 43.145 v.Chr. zijn de goden opnieuw uit de hemel neergedaald en wellicht waren de vroegere steden Bad-tibira en Eridu ook nu weer volledig verwoest en dus stichtten ze de nieuwe stad Larak en herbouwden ze nadien de steden Badtibira en Eridu.

De vijf steden van vóór de zondvloed.
Later, maar nog steeds in het derde tijdperk, werden er nog twee nieuwe steden gesticht, dit waren de vierde en de vijfde stad van vóór de zondvloed. De vierde stad was Sippar en werd volgens onze hypothese omstreeks 34.345 v.Chr. gesticht en de vijfde, Shuruppak, omstreeks 32.945 v.Chr., dit was de stad van de Bijbelse Noach.
Volgens de koningslijst werd het koningschap meerdere malen verplaatst van de ene stad(staat) naar de andere volgens de onderstaande volgorde:
- Bad-tibira, dit wordt niet vermeld in de koningslijst (eigen hypothese).
- Eridu, nadat het koningdom uit de hemel was neergedaald werd het koningschap in Eridu geïnstalleerd. De goden waren vertrokken uit Bad-tibira, toen ze terug kwamen was deze stad volledig verwoest. Ze stichtten Eridu en plaatsten daar het koningschap.
- Bad-tibira; de goden bouwden Eridu maar later werd ook Bad-tibira herbouwd en de zetel van het koningschap werd terug naar hun eerste stad verplaatst.
- Larak; Op het einde van het tweede tijdperk vertrokken ze terug naar Nibiru, toen ze terugkwamen waren zowel Bad-tibira alsook Eridu volledig in ruines vervallen. Ze stichtten de nieuwe stad Larak en installeerden daar het koningschap. De oude steden Bad-tibira alsook Eridu werden herbouwd, het koningschap bleef toch in Larak.
- Sippar; Er werd een nieuwe stad gesticht en het koningschap verhuisde naar hier. Hier is er geen sprake van catastrofes omdat het niet om het einde van een tijdperk gaat, waarom het koningschap uit Larak vertrok is ons niet duidelijk.
- Shuruppak; Terug een nieuwe stad en wederom verhuisde het koningschap mee. Dat er nieuwe steden werden gesticht kan geweest zijn omwille van het feit dat er steeds meer goden waren op aarde en dus ook meer steden nodig waren.
Bovenstaande opsomming volgt perfect de volgorde zoals die in de koningslijst is terug te vinden, alleen punt 1 werd toegevoegd omdat er hier wordt van uitgegaan dat Bad-tibira de allereerste stad is geweest vanaf de Creatie.
We veronderstellen dat omstreeks 14.345 v.Chr. de aarde opnieuw ondersteboven keerde en dat dit het einde van de laatste ijstijd betekende. Deze omkering van de aarde is de allergrootste catastrofe geweest die onze planeet heeft gekend als gevolg van het omklappen van de aarde omdat dit op ongeveer hetzelfde tijdstip ook de zondvloed heeft veroorzaakt. In 14.345 v.Chr. moet er opnieuw een conjunctie geweest zijn van de aardse planeten, maar nu kwam Nibiru zo dicht bij de aarde te staan dat de aantrekkingskracht tussen beide planeten immense proporties heeft aangenomen. Op het moment dat de conjunctie van de aarde planeten en Nibiru compleet was begon de aarde kortstondig mee te draaien met Nibiru en keerde daardoor ondersteboven. Maar waarschijnlijk nog voor dat de aarde begon mee te draaien werd de onderlinge aantrekking tussen beide planeten zo groot dat de aarde trager ging ronddraaien of mogelijks zelfs een korte periode helemaal niet meer roteerde. Als gevolg van die immense aantrekkingskracht werd de ijsschots van het continent Antarctica de oceaan ingetrokken, dit veroorzaakte een enorme vloedgolf vanaf de Zuidpool die wellicht het Amerikaanse vasteland (en ook andere continenten) overspoelde en alle wouden en alle levende wezens wegveegde om deze dan in Alaska op één grote hoop te werpen. Nog steeds zijn daar massa's versplinterde beenderen van ontelbare mammoeten te vinden, gemixt met massa's versplinterde bomen.
De eerste en tweede keer dat de goden naar Nibiru waren opgestegen was het telkens pas na 2 sars vooraleer ze naar de aarde konden terugkeren. Waarschijnlijk hadden ze ten tijde van de zondvloed wél al de mogelijkheid om al na 1 sar terug te komen, de volgende passage van Nibiru was 1 sar (3744 jaar) na de zondvloed, omstreeks 10.601 v.Chr. Dit past vrij goed met Zep Tepi of de zogenaamde "de eerste tijd" van Osiris uit het mythische Egypte. Hoewel dit absoluut niet kan bewezen worden, mag Zep Tepi gezien worden als de komst van de goden en als het prille begin van de Egyptische beschaving.
Wijzelf gaan zelfs een stap verder door te zeggen dat er al duizenden jaren vóór de zondvloed goden leefden op aarde en dat die naar de aarde zijn teruggekeerd omstreeks 10.601 v.Chr. en dat dit "de eerste tijd" betekende voor Egypte. Noach en zijn familie en de stervelingen die de zondvloed hebben overleefd wisten wellicht dat de goden onze planeet hadden verlaten maar zo'n 3.744 jaar later was wellicht iedereen dit reeds lang vergeten of waren er slechts mythische verhalen van overgebleven, men kan dus de terugkomst van de goden hebben aanzien als de "eerste tijd" van de goden omdat niemand nog wist dat ze al eerder op aarde hadden geleefd.
De zondvloed.
We veronderstellen dat de aarde ondersteboven keerde omstreeks 14.345 v.Chr. en dit betekende de plotse overgang van de laatste ijstijd naar de huidige warme periode. In de zaagtandcyclus van de glacialen en interglacialen is er wel iets heel bijzonders aan de laatste overgang en is niet te vergelijken met de voorgaande, het verschijnsel wordt de Younger Dryas periode genoemd en werd volgens onze opinie veroorzaakt door de zondvloed. Vanaf 14.345 v.Chr. begonnen de ijskappen in een razend tempo af te smelten maar na maximum 1000 jaar keerde de aarde terug naar een "bijna ijstijd". Door die Younger Dryas periode gingen we er eerst van uit dat de zondvloed in 10.601 v.Chr. had plaats gevonden, bij de volgende passage van Nibiru. Dit is vrijwel zeker een verkeerde redenering geweest, de opwarming vanaf 14.345 v.Chr. duurde maximaal 1000 jaar, indien de zondvloed
pas in 10.601 v.Chr. gebeurde dan zou de aarde gedurende 4.000 jaar zijn opgewarmd vooraleer terug te keren naar een bijna ijstijd. Het is veel logischer om zowel het omkeren van de aarde alsook de zondvloed te dateren omstreeks 14.345 v.Chr. en dit met maximaal een paar maand verschil tussen beide catastrofen. Indien de ijskap van Antarctica in de oceaan werd getrokken kan het inderdaad nog vele jaren hebben geduurd eer dit een grote ommekeer in het klimaat heeft veroorzaakt.
De stervelingen op aarde.
Het tweede tijdperk van de zesde Scheppingsdag is de warme periode en toen waren wij er nog niet, indien Eridu gebouwd werd door mensen kunnen wij dit niet geweest zijn. Dit noodzaakt ons dus naar een andere soort mensen uit te kijken, de Neanderthaler is de enige mogelijke oplossing. Dit komt er dus op neer dat in onze hypothese de Neanderthaler ten vroegste 80.000 jaar geleden op het toneel kan verschenen zijn. Dit komt niet overeen met de mening van de meeste wetenschappers. De homo sapiens sapiens, wij dus, zou zo’n 40.000 jaar geleden op het toneel zijn verschenen. Adam (Adapa) werd geboetseerd in het derde en laatste tijdperk vóór de zondvloed en dit begon zo’n 50.000 jaar geleden, wat Adam betreft zit het dus blijkbaar wél beter (Adam kan ten vroegste ontstaan zijn omstreeks 43.145 v.Chr., na de terugkomst van de goden).
De koninglijst: de koningen ná de zondvloed:
Na de zondvloed regeerden de heersers die het koningschap kregen toegewezen van de goden, zo staat te lezen in de koningslijst. We veronderstellen dat die heersers de halfgoden zijn uit de stamboom van Noach die heersten (regeerden) over de stervelingen, maar goed dat deze tekst in de koningslijst vermeld staat zo niet zou het zeer moeilijk zijn om te verklaren dat de goden waren teruggekeerd op aarde maar dat het toch de halfgoden waren die regeerden. Hier staat een belangrijk begrip om de overgang in Egypte te verklaren, de goden blijven wél de oppermachtigste maar laten de heerschappij over de stervelingen aan de halfgoden. Op het moment dat de halfgoden plotseling verdwenen kregen bepaalde stervelingen de toestemming van de goden om koning te worden van alle andere stervelingen. Die sterfelijke koningen wilden er wél uitzien zoals hun voorgangers halfgoden en gingen daarom hun schedel afbinden en vervormen.
Hun regeerperioden waren veel korter dan deze van vóór de zondvloed, het waren inderdaad geen goden meer die regeerden maar halfgoden. Indien onze hypothese klopt dan hadden halfgoden vlak na de zondvloed nog steeds een gemiddelde levensduur van 840 jaar maar dit daalde gestaag naar 120 jaar. De regeerperioden van de mythische koningen bedragen tussen de 600 en de 1.200 jaar, we moeten er dus van uitgaan dat die koningen halfgoden waren. De goden vertrokken vóór de zondvloed naar veiliger oorden maar de halfgoden en ook wij, stervelingen, werden op aarde achtergelaten. Toen de goden op Nibiru vertoefden namen de halfgoden de heerschappij op aarde over, of dit met of zonder de toestemming van de goden was dat weten we niet. Na de zondvloed duiken in alle beschavingen over de hele wereld wijze mannen op die de stervelingen uit de chaos helpen, dit kunnen de halfgoden geweest zijn uit de stamboom van Noach die zowat de hele wereld bevolkten.
In de koningslijst volgen onmiddellijk na de zondvloed de zogenaamde mythische koningen, zij gaan de historische koningen vooraf. Er zijn redenen om aan te nemen dat het ten dele toch om historische koningen zou kunnen gaan. Vóór Etana staan twaalf andere, al dan niet mythische, koningen vermeld die allen regeerden vanuit de stad Kish. Hun gezamenlijke regeerperiode komt uit op 9.250 jaar tot aan Etana, geschiedkundigen plaatsen Etana omstreeks 2.900 v.Chr. Indien we vanaf Etana 9.250 jaar terugtellen komen we op 12.150 v.Chr. Wij vertrekken met 14.345 v.Chr. als datum voor de zondvloed en kunnen die koningen wél ongeveer in chronologische volgorde inpassen in het beschikbare tijdperk.
Het zit wetenschappers duidelijk niet mee, van de ene kant moeten ze hun data steeds meer en meer terugdraaien in de tijd, aan de andere situeren de archeologen de zondvloed omstreeks 2.900 v.Chr., dat geeft dus duidelijk problemen. Er is dus hoegenaamd geen plaats meer voor die 12 mythische koningen die samen 9.250 jaar regeerden, die moeten geplaatst worden tussen de zondvloed in 2.900 v.Chr. en Etana ....in 2.900 v.Chr.!!!
Het is pas bij Enmebaragesi en Aga van Kish dat men vrij zeker weet dat het om historische koningen gaat, hun regeerperiode kon vrij exact bepaald worden op ca. 2.600 v.Chr. Hetzelfde geldt voor de eerste dynastie van Uruk, daar worden Dumuzid en ook wel Gilgamesh als historische koningen gezien omstreeks 2.600 v.Chr. Indien we alle regeerperioden optellen van de koningen na de zondvloed tot aan Aga, Dumuzid of Gilgamesh omstreeks 2.600 v.Chr. dan komen we aan een totaal van 16.455 jaar. Gezien iedere stadstaat zijn eigen koning had is het opstellen van een correcte chronologie voor Kish of Uruk vrijwel onmogelijk. Er zitten ongetwijfeld enkele foutjes in de hedendaagse koningslijst, maar dat archeologen in totaal zo’n 20 koningen situeren in een tijdvak van 300 jaar is toch een onlogisch gegeven.
Wij hebben voor het einde van het laatste tijdperk het jaar 14.345 v.Chr. gevonden, vanaf die datum zouden we dus 16.455 jaar moeten tellen om in 2.600 v.Chr. uit te komen aan de regeerperioden van Aga, Dumuzi en Gilgamesh. Tussen 14.345 en 2.600 v.Chr. zit een periode van 11.745 jaar, daarin zouden die 16.455 jaar regeerperioden van zo’n 20 koningen moeten passen. Zelfs bij onze hypothese is er nog een tekort van zo’n 5.000 jaar, toch durven we te stellen dat het jaartal 14.345 v.Chr. veel dichter de waarheid zal benaderen dan de data die archeologen voorop stellen. Over de chronologie van de koningslijst kan weinig twijfel bestaan, het is enkel het jaartal 2.900 v.Chr. dat niet past als jaartal voor de zondvloed.
Een catastrofe omstreeks 3.113 v.Chr. ?
Toch moet er iets heel dramatisch gebeurd zijn omstreeks 3.113 v.Chr., wanneer en waarom hebben de goden onze planeet opnieuw verlaten? En waar zijn de halfgoden gebleven?
Er zijn in zowat alle grote beschavingen tekenen van chaos te zien omstreeks deze tijd en er is inderdaad die grote overstroming geweest in Sumerië omstreeks 2.900 v.Chr. Het is alsof de mythen iets verzwijgen, blijkbaar was het de bedoeling die catastrofes omstreeks 3.113 v.Chr. te verdoezelen. Het ziet ernaar uit dat men getracht heeft een straf door de goden omstreeks 3.113 v.Chr. verder terug in de tijd te plaatsen en deze als de natuurramp van 10.601 v.Chr. voor te stellen. Het is moeilijk aan te nemen dat de zondvloed een straf van de goden zou zijn geweest, het is waarschijnlijk een zeer grote natuurramp geweest en niets meer dan dat.
Echo’s uit een ver verleden lijken eerder te wijzen op een wereldwijde, alles vernietigende oorlog omstreeks 3.113 v.Chr. Er zijn vage herinneringen aan steden die in één klap totaal van de kaart werden geveegd, denk maar aan het Bijbels verhaal over de verwoesting van Sodom en Gomorra. Uit dit verhaal wordt duidelijk dat het niet om een natuurramp ging maar eerder om afschuwelijke wapens. Op meerdere plaatsen zijn er aanwijzingen van rotsen of zandmassa's die zijn gesmolten en in glas veranderden.
Werd op aarde al veel eerder een atoomoorlog gevoerd?
Hoe dan ook houden wij het op 14.345 v.Chr. voor de zondvloed, we zien deze als een natuurramp waardoor de naam zondvloed eigenlijk niet past bij deze catastrofe. Indien er dan al een straf door de goden werd uitgevoerd plaatsen wij deze omstreeks 3.113 v.Chr. en zien dit eerder als een oorlog van de goden. Alleen vragen we ons af tegen wie deze oorlog werd gevoerd, tegen de stervelingen of tegen de halfgoden. Feit is dat wij hier nog steeds rondlopen maar van halfgoden is er geen enkel spoor meer te bekennen. In de koningslijst wordt duidelijk dat de regeerperiode van de koningen na Dumuzid en Gilgamesh veel korter worden. Vanaf die periode zijn het blijkbaar stervelingen die regeren in plaats van de halfgoden, het is alsof de halfgoden omstreeks die tijd van de aardbodem verdwenen.
Goden zijn er nu al evenmin op aarde maar van hen kunnen we enkel veronderstellen dat ze na de zondvloed naar de aarde zijn teruggekomen en dat ze op een later tijdstip terug zijn vertrokken, waarom precies weten we niet. Moeten we veronderstellen dat ze de aarde hebben verlaten omwille van de gevolgen van een atoomoorlog?
Of zij nu al dan niet nog terugkomen is ook al niet duidelijk, indien ze dat toch doen zal dit waarschijnlijk omstreeks 4.374 na Chr. zijn, bij de volgende passage van Nibiru.
------------------------------------------------------------------
Verwijzingen bij hoofdstuk 7.
[1] – Sumerische Koningslijst.
http://www.geocities.com/garyweb65/prehist.html
[2] – Sumerian Kings List.
http://en.wikipedia.org/wiki/Sumerian_king_list
[3] - Zecharia Sitchin.
In zijn boek “De eerste tijd” – uitgeverij Tirion (NL versie)
Originele titel “When Time Began”.
|