Logo Vijfde Zon  


Een Zoektocht Naar De Oudste Beschavingen.


 
WWW.DJEDFORCE.NET
 
  Home
 

10 – De Vijfde Zon.

Wij leven in het tijdperk van de vijfde zon, is dit de laatste zon?

Eerste versie september 2008.
Laatst gewijzigd 6 maart 2009.

De antieke beschaving in midden Amerika zou begonnen zijn met de Olmeken omstreeks 100 na Chr. Na hen volgden andere culturen met als belangrijkste de Maya’s en later de Azteken. Tegen de tijd van de Spaanse veroveringen, vanaf 1511, waren de Azteken de belangrijkste heersers over Mexico. Al deze volkeren waren ervan overtuigd dat ze in het tijdperk van de vijfde en laatste zon leefden, op het einde van die vijfde zon zou de aarde opnieuw volledig verwoest worden. Dat begrip “zon” is naar onze mening terug te brengen op omlopen van Nibiru, één zon zou dus kunnen overeenkomen met één omloopperiode van ongeveer 3.600 jaar.

Zoals reeds in vorig hoofdstuk werd vermeld hebben Maya deskundigen kunnen achterhalen dat, omgerekend naar onze Gregoriaanse kalender, één van die perioden begonnen is op 13 augustus 3113 v.Chr. Die dag begon er in de lange telling een nieuwe cyclus van 13 baktun of 1.872.000 dagen. Elke periode van 13 baktun diende om één omloopperiode van Nibiru bij te houden. De vorige omloop, de vierde zon, begon op 13 augustus 3113 v.Chr. en duurde 3.744 jaar, dit is 1.366.560 dagen en is het supergetal uit de Dresden codex. De vierde zon eindigde in het jaar 630 na Chr. en dat was meteen ook de start van de vijfde zon, toen de Spanjaarden Midden Amerika binnenvielen leefden de Maya's en Azteken dus in de vijfde zon.

We zijn er altijd van uit gegaan dat de omlooptijd van Nibiru in het begin van de Schepping 3.600 jaar bedroeg en dat die periode traag maar zeker langer werd, voor de vierde zon komen we al aan een periode van 3.744 jaar. Dit is de enige periode waarvan we de juiste lengte kennen, laat ons aannemen dat de vijf zonnen niet zo veel van mekaar verschillen waardoor we voor elk een lengte van 3.744 jaar kunnen nemen zonder een al te grote fout te maken. De Maya’s beschouwden 13 augustus 3113 v.Chr. als de geboorte van de planeet Venus. Deskundigen hebben hier nog geen verklaring voor gegeven, wij zijn van mening dat Nibiru in 3113 v.Chr. voor de laatste keer tussen Mars en de aarde doorging. Vanaf die datum zou er geen onderling verband meer zijn tussen Mars en de Aarde maar wél tussen de Aarde en Venus. Nibiru passeerde voor de eerste maal tussen de Aarde en Venus in het jaar 630 na Chr., de volgende keer zal in het jaar 4.374 na Chr. zijn. De vijfde zon zou dus kunnen eindigen omstreeks het jaar 4.374 na Chr.

Laat ons nog eens terugblikken op de Kali Yuga uit de Hindu traditie. Om bepaalde zaken kunnen duidelijk te maken waren we in het eerste hoofdstuk vertrokken van het idee dat de Kali Yuga ten einde was gekomen samen met de laatste ijstijd. Dit is niet zo, dat tijdperk van 432.000 jaar eindigde in werkelijkheid op 23 januari 3102 v.Chr. Blijkbaar omsluit de Kali Yuga een tijdperk waarin Nibiru steeds passeerde tussen Mars en de Aarde, die cyclus eindigde in 3.102 v.Chr. Vanaf het begin van het volgende tijdperk (zonder Yuga naam?) zou Nibiru tussen de Aarde en Venus passeren. Tussen de datum uit de Kali Yuga en deze uit de Maya kalender zit slechts een verschil van 12 jaar, op een periode van 432.000 jaar (Yuga) is dit een te verwaarlozen afwijking. We leven in de vijfde zon, we kennen de begindatum van de vierde zon en de lengte daarvan. Het beginpunt van de vierde zon werd bovendien aan onze Gregoriaanse kalender gekoppeld. We kunnen dus vrij eenvoudig terugtellen tot het begin van de eerste periode, de eerste zon.


Tabel 5 Zonnen
Begin- en einddata van de vijf zonnen. Uit de tabel blijkt dat de 1é zon zou begonnen zijn in 14.345 v.Chr.
Dit is ten tijde van de zondvloed juist voor het ondersteboven keren van de aarde.


In verband met de laatste ijstijd vinden we volgende gegevens terug [1]:
Rond 15.000 v.Chr. bereikte de ijskap zijn maximale grootte en rond 8.000 v.Chr. had het ijs zich in Noord-Amerika geheel teruggetrokken. In Europa en Noord-Amerika verdween het grootste deel van de in veertigduizend jaar opgebouwde ijskap.
[Charles Hapgood] De snelheid van het smelten duidt erop dat een uitzonderlijke factor het klimaat beïnvloedde. Dit begon 16.500 jaar geleden (14.500 v.Chr.) en verwoestte in 2.000 jaar misschien wel driekwart van de gletsjers, het grootste deel van deze dramatische ontwikkeling voltrok zich binnen duizend jaar [Charles Hapgood]. In alle gebieden ging het overgrote deel van de diersoorten die uitstierven ten onder tussen 15.000 en 8.000 jaar v.Chr. In de nieuwe wereld alleen al gingen tussen 15.000 en 8.000 v.Chr. meer dan zeventig soorten grote zoogdieren verloren. Het overgrote deel daarvan verdween in slechts tweeduizend jaar, tussen 11.000 en 9.000 v.Chr. Hetzelfde patroon herhaalde zich in Europa, Azië en zelfs in het verre Australië. De meeste verdwenen diersoorten stierven uit tussen 11.000 en 9.000 v.Chr. Er was sprake van vergrootte sedimentatie en de temperatuur van het oppervlaktewater van de Atlantische Oceaan steeg abrupt met zes tot tien graden. Een andere turbulente episode van massale uitsterving vond plaats tussen 15.000 en 13.000 v.Chr.

Het is vrij duidelijk dat er twee afgebakende pieken omheen een tussenperiode zijn geweest van enorme klimatologische veranderingen en massale uitroeiing van veel (grote) diersoorten. De vroegste  periode zit tussen 15.000 en 13.000 v.Chr. en de tweede tussen 11.000 en 9.000 v.Chr. Charles Hapgood was nog preciezer en stelde dat de laatste ijstijd abrupt eindigde omstreeks 14.500 v.Chr. (16.500 jaar geleden). Onderzoek van boorkernen uit het pakijs van Groenland en Antarctica heeft die tussenperiode aangetoond en bewezen, men noemt dit de Younger Dryas periode.

[2] De laatste ijstijd bereikte ruw geschat zo’n 20.000 jaar geleden zijn maximum (18.000 v.Chr.), daarna begon het warmer te worden op aarde. Het zeeniveau steeg in twee belangrijke stappen, de eerste omstreeks 14.000 jaar geleden (12.000 v.Chr.) en een tweede omstreeks 11.500 jaar geleden (9.500 v.Chr.). Tussen die twee perioden van opwarming en het vlug afsmelten van de ijskappen was er een pauze die nu gekend staat als de Younger Dryas periode. Nadat de aarde eerst een duizendtal jaren een veel milder klimaat had gekend keerde gedurende de Younger Dryas het klimaat terug naar een bijna ijstijd. De redenen voor deze grote klimaatschommelingen zijn tot op heden nog niet duidelijk.
   
We nemen aan dat 14.345 v.Chr. een vrij correct jaartal is voor het einde van de laatste ijstijd, temeer omdat er in bovenstaande omschrijving van de Younger Dryas slechts sprake is van een ruwe schatting. Charles Hapgood was preciezer en plaatste het einde van de laatste ijstijd omstreeks 14.500 v.Chr. Wij hebben daarvoor het jaartal 14.345 v.Chr. gevonden, dat ziet er dus goed uit. Omstreeks 12.000 v.Chr. zou het zeeniveau de eerste keer een maximum hebben bereikt, dat is 2.345 jaar na het einde van de laatste ijstijd. Nog volgens Hapgood was wellicht driekwart van de ijskap verdwenen in zo’n tweeduizend jaar. We gaan ervan uit dat het einde van de laatste ijstijd het gevolg was van het ondersteboven keren van de aarde omstreeks 14.345 v.Chr. en dat dit tevens de zondvloed als gevolg heeft gehad omdat de ijskap van Antarctica in de oceaan werd getrokken [3 - Zecharia Sitchin]. De aarde warmde op gedurende zo'n 1000 jaar maar als gevolg van die ijskap in de oceaan keerde de aarde terug naar een bijna ijstijd, dit staat dus bekend als de Younger Dryas periode. [2]

 14345 BC
Passage van Nibiru in 14.345 v.Chr. tijdens een conjunctie van Mars, de aarde en Venus.
Nibiru scheerde rakelings aan de aarde voorbij en veroorzaakte de zondvloed.
Ten gevolge van de conjunctie keerde de aarde ook nog eens ondersteboven.

Home

Toen omstreeks 14.345 v.Chr de aarde ondersteboven keerde was dit ook het geval voor het magnetisch veld van de aarde. De zon oefent de grootste zwaartekracht uit op alle planeten en is bepalend voor de plaats die ze innemen, wijzigingen in de magnetische velden van de Aarde kan wellicht toch een invloed gehad hebben. Mogelijks kwamen hierdoor de aarde en Mars iets verder van mekaar te staan. Indien dit zo was dan kwam onze planeet dichter bij de zon staan waardoor de Aarde sterk opwarmde, dit veroorzaakte het plotse einde van vorige ijstijd.

Gevolgen van het ondersteboven keren van de aarde.

Het is vrij logisch dat het omkeren van de aarde catastrofale gevolgen heeft. Indien de aardrotatie een weinig versnelt of vertraagt heeft dit de allergrootste invloed op de oceanen. Vanwege het traagheidsmoment zal bij het versnellen van de aardrotatie het water van de oceanen achterblijven, bij het vertragen van de aardrotatie zal het water met dezelfde snelheid blijven bewegen. Het zal in beide gevallen grote vloedgolven teweeg brengen die over de continenten razen. Bovendien zal de aardas van plaats veranderen, de aarde zal niet meer rond de oude polen draaien maar heel tijdelijk omheen een geheel anders geplaatste as. Waar vroeger de aarde aan de polen de kleinste omtreksnelheid had zal daar ineens de grootste snelheid optreden. Aan de nieuwe tijdelijke polen zal de verplaatsing het kleinst zijn. Op het moment dat de aarde op een andere manier gaat roteren is het vasteland de stabiele factor in het geheel, de oceanen daarentegen vormen een zeer labiele factor die de aarde fors zal doen schommelen. Mogelijks gaat het gyroscopisch effect bepalen waar de aardas komt te liggen.

Gizeh, waar de grootste piramiden van Egypte staan, ligt ongeveer in het midden van zowat alle vasteland op aarde. Het is best mogelijk dat de tijdelijke as van rotatie daar ergens was gelegen. Op het moment dat de aarde omkeerde heerste er een ijstijd, zeer veel water lag opgeslagen in de ijskappen en de Middellandse zee stond (bijna volledig?) droog. Egypte moet daarom één van de veiligste plaatsen op aarde geweest zijn tijdens het ondersteboven keren, de eerdere poolgebieden waren dan zonder enige twijfel de meest dodelijke plaatsen omdat die in een korte tijdspanne tot wel 150° verdraaiden. In vergelijking met de zondvloed moet dit nog een "relatief" kleinere catastrofe geweest zijn.


De Zondvloed.

[3] Volgens de interpretatie van Zecharia Sitchin in verband met het Erra epos en nog andere oud Sumerische geschriften werd de zondvloed veroorzaakt door Nibiru die tijdens een bepaalde passage zo dicht de aarde naderde dat de ijskap van Antarctica door de enorme aantrekkingskracht de oceaan werd ingetrokken waardoor een enorme vloedgolf ontstond. Dat is nog niet alles, in het verhaal van Noach en andere mythische verhalen over de grote vloed is er sprake van dagenlange onafgebroken stortregens. Indien Nibiru héél dicht bij de aarde stond kan de aantrekkingskracht zó groot geweest zijn dat de aardrotatie afnam of dat de aarde zelfs gedurende een korte tijd het geheel stilstond. Waterdamp kan opstijgen in de atmosfeer en daar onder de vorm van water of ijs blijven hangen door de centrifugale krachten die ontstaan door het roteren van de aarde. Zware regenwolken en zelfs ijs kunnen daardoor een zekere tijd in de atmosfeer blijven hangen. Indien de aardrotatie een tijd sterk zou vertragen zou al het water uit de atmosfeer naar beneden storten, juist zoals dit in het verhaal van Noach staat beschreven.

In datzelfde verhaal staat er een nog vreemder gegeven: Genesis 7-11 “Op die dag braken alle bronnen van de diepte los..”
Op zich een vreemd gegeven dat mogelijks toch kan verklaard worden. Als de aarde trager gaat ronddraaien of zelfs in het geheel niet meer ronddraait verdwijnen de centrifugale krachten die de aarde doen uitzetten aan de evenaar en de polen afplatten. Door het wegvallen van die krachten zou de aarde terug de vorm van een perfecte bol aannemen waardoor de omtrek aan de evenaar zou verkleinen. De druk op de aardkorst zou kunnen vergroten waardoor het water uit de ondergrond naar de oppervlakte wordt geperst.

Niet iedere keer dat Nibiru passeerde ging de aarde ondersteboven staan, zoals we reeds gezien hebben gebeurde dit bij iedere 10é passage. In 14.345 v.Chr. moet er zo’n conjunctie geweest zijn toen Nibiru onze planeten kruiste, toen stond Nibiru het dichtst bij de aarde. Omdat de baan van Nibiru steeds meer opschuift naar de zon toe, stond hij bij de volgende doorgangen nog dichter bij de omloopbaan van de aarde. Toen was er géén conjunctie en de aarde stond verder verwijderd, de aarde kan zelfs aan de andere kant van de zon gestaan hebben.


Gevolgen van de zondvloed.

Op het moment van de zondvloed, toen de gehele ijskap van Antarctica de oceaan werd ingetrokken moet dit een ongeziene supergrote vloedgolf hebben teweeggebracht. Die vloedgolf die ontstaan was in Antarctica moet zich noordwaarts verplaatst hebben, zowel over zee als over de continenten en alles wat deze vloed op het land tegenkwam werd vermorzeld. Volledige kudden dieren werden uiteengereten en vermengd met volledig versplinterde bomen, alles werd noordwaarts met de vloed meegesleurd. Inhammen en grotten werden volgestouwd met dierlijke en menselijke resten, vermengd met versplinterde bomen. Alles wat de vloedgolf nog verder noordwaarts meesleurde werd in Siberië en Alaska weer aan land geworpen. Deze streken lagen vrij dicht tegen de noordpool, alles wat daar aan land werd geworpen bevroor onmiddellijk. Nu nog altijd liggen er in die gebieden enorme massa's beenderen van dieren die eigenlijk in een meer gematigd gebied thuishoorden.

Ten tijde dat de ijskap de oceaan werd ingetrokken, was het wellicht de enige keer dat dit continent in een “recent” verleden volledig ijsvrij is geweest. Hoewel het er zeer koud was duurde het toch vrij lang voor het land terug helemaal onder het pakijs was verdwenen. Die ijsvrije periode vanaf 14.345 v.Chr. was de enige keer dat Antarctica kon in kaart gebracht worden. Archeologen beweren stellig dat er in die tijd nog geen sprake kon zijn van enige beschaving. Toch bestaan zeekaarten, zoals die van Buache uit 1737 [4], waarop Antarctica volledig ijsvrij staat weergegeven. Dergelijke zeekaarten zijn wellicht gebaseerd op nog veel oudere originelen die duizenden jaren geleden getekend werden.


3113 BC
In 3.113 v.Chr. kwam Nibiru het dichtst tegen de omloopbaan van de aarde.
Er was op dat moment géén conjunctie, de aarde kon het punt van conjunctie
reeds enkele maanden voorbij geweest zijn, er was géén gevaar voor een botsing.

Home

Bij de volgende passages in 10.601, 6.857, 3.113 v.Chr. en ook in 630 na Chr. was er géén conjunctie en was de afstand tussen de aarde en Nibiru wellicht groter, daardoor was er geen gevaar dat de ijskap opnieuw in zee zou worden getrokken.


630 AD
De eerste keer dat Nibiru tussen Venus en de aarde passeerde was in 630 na Chr.
Ook nu weer géén conjunctie van onze binnenplaneten.

De vorige keer dat Nibiru onze planeten kruiste was in 630 na Chr., het was tevens de eerste keer dat hij tussen Venus en de Aarde passeerde en blijkbaar bleef hij ook toen ver genoeg verwijderd. De volgende keer dat Nibiru voorbij komt zal hij nog verder van de omloopbaan van de aarde staan en van een vloedgolf kan dan zeker geen sprake meer zijn. Trouwens, in de Bijbel, in het verhaal van Noach, staat geschreven dat God een verbond heeft gesloten met Noach en dat er nooit geen zondvloed meer zal komen zolang de aarde zal bestaan.

4374 AD
Volgens de Maya’s zal de wereld opnieuw verwoest worden
op het einde van de 5é zon (in 4.374 na Chr. ?).
Zal Nibiru dan terug passeren tijdens een conjunctie van onze planeten?
Zal de aarde opnieuw ondersteboven keren?

 

Home

------------------------------------------------------------------

Verwijzingen bij hoofdstuk 10.

[1] - Graham Hancock.
        In zijn boek  “Het ontstaan en het einde van alles”.
        Hoofdstuk 27. In dit hoofdstuk geeft Hancock een overzicht van wat andere
        schrijvers daarover gepubliceerd hebben, er zijn verwijzingen naar:
        Hopkins – Hapgood 1970 – Velikovsky – en andere.            
          
[2] - The Ice Ages. Link naar de Website van de universiteit in Californië - San Diego
        http://earthguide.ucsd.edu/virtualmuseum/climatechange2/01_1.shtml

[3] - Zecharia Sitchin.
        In zijn boek “De eerste tijd” – uitgeverij Tirion (NL versie)
        Originele titel “When Time Began”.

[4] Charles Hapgood 1966.
        In zijn boek “Map of the Ancient Sea Kings”
        Chilton Books - New York 1966.
        Turnstone Books – Londen 1979.

Home