Logo zondvloed  


Een Zoektocht Naar De Oudste Beschavingen.


 
WWW.DJEDFORCE.NET
 
  Home
 

13 – De Zondvloed.

De zondvloed, een lokale overstroming in 2.900 BC
of een wereldwijde catastrofe in 14.345 BC?

Eerste versie 16 maart 2009.

1 - De zondvloed omstreeks 2.900 v.Chr. volgens de huidige visie van archeologen:

Hedendaags wordt vrijwel algemeen aangenomen dat de zondvloed eerder een lokaal fenomeen is geweest en omstreeks 2.900 v.Chr. zou kunnen gebeurd zijn. Dit idee is wellicht gegroeid doordat opgravingen in Oud Sumerië een grote overstroming hebben aangetoond die omstreeks 2.900 v.Chr. heeft plaats gevonden.
    
Opgravingen in Irak hebben het bewijs geleverd van een vloed in Shuruppak en andere Sumerische steden. Een laag sediment onderbreekt de continuïteit van de nederzettingen, deze werd gedateerd op 2.900 v.Chr. Deze laag strekt zich nog verder noordelijk uit tot zelfs aan de stad Kish. Polychroom aardewerk uit de Jemdet Nasr periode (3.100 à 2.900 v.Chr.) werd gevonden juist onder deze sedimentlaag. [1]

2 - De zondvloed omstreeks 14.345 v.Chr. volgens onze visie.

Zoals uitgelegd in de vorige hoofdstukken houden wij er volgende mening op na:

De zesde dag van de Schepping:
IJstijd tussen 122.345 BC en 86.345 BC
- Ondersteboven keren van de aarde in 86.345 BC.
Abrupte overgang van ijstijd naar warme periode. 
Warme periode van 86.345 BC tot 50.345 BC.
- Ondersteboven keren van de aarde in 50.345 BC

In de loop van de zesde dag van de Schepping creëerde God de Vader man en vrouw. Dit waren in feite de heren van God. Voor ons stervelingen waren dit de goden die werkelijk op aarde geleefd hebben.

De zevende dag van de Schepping:
IJstijd van 50.345 BC tot 14.345 BC
– Ondersteboven keren van de aarde en de zonvloed in 14.345 BC  
Abrupte overgang van ijstijd naar warme periode en vloedgolf.
Warme periode van 14.345 BC tot op heden.

Daar waar de meeste archeologen de zondvloed dateren op ong. 2.900 v.Chr. vertrekken wijzelf met 14.345 v.Chr. als datum voor de zondvloed. Toen verschoven de geografische polen naar hun huidige positie omdat de aarde ondersteboven kantelde, op ongeveer hetzelfde tijdstip werd door de enorme aantrekkingskracht van Nibiru op de aarde de gehele ijskap van Antarctica de oceaan ingetrokken. Dit veroorzaakte immense vloedgolven die over alle continenten raasden. De goden hadden al een tijd vóór 14.345 v.Chr. de aarde verlaten om veiliger oorden op te zoeken, na de zondvloed waren het de halfgoden die over de stervelingen heersten.

De datum 14.345 v.Chr. is gebaseerd op de lange telling in de Maya kalender. We zijn aan die specifieke datum gekomen door vanaf de huidige periode in hun kalender (5é zon) terug te tellen tot aan het begin van de 1é zon. De Maya's en de Azteken waren er heilig van overtuigd dat ze in de vijfde en laatste zon leefden, indien dit niet correct is dan zitten we er ook glansrijk naast. Omdat die datum echter zo goed samenvalt met het abrupte einde van de vorige ijstijd geloven we er wel in. Indien we de ijstijden bestuderen botsen we op "de Younger Dryas" periode, een kleine 1.000 jaar na het einde van de laatste ijstijd herviel de aarde in "een bijna ijstijd". Omstreeks 10.600 v.Chr. stierven er opnieuw, in een tweede golf, enorm veel diersoorten uit. De Younger Dryas mag dan wel het directe gevolg van de zondvloed zijn, toch maakt dit het dateren van de zondvloed zelf er zeker niet makkelijker op.

Op het tijdstip van de zondvloed was de stamboom van Adam reeds tot aan Noach gekomen en hij had op dat moment de leeftijd van 600 jaar bereikt. In die stamboom staat de leeftijd van Adam vermeld op het moment dat hij zijn eerste zoon krijgt, dit gaat telkens zo verder van vader op zoon. Indien we vanaf Adam de leeftijden op die manier samentellen tot aan de zondvloed dan komen we op een totale tijdsduur van 1.656 jaar. Adam zou dus 1.656 jaar vóór de zondvloed kunnen ontstaan zijn, in 16.001 v.Chr. Men zou verwachten dat de stervelingen veel vroeger op aarde zijn verschenen. Indien we 25 jaar per generatie rekenen, hoe groot kan hun aantal dan al geweest zijn in die korte periode tot aan de zondvloed?

De stamboom van Adam vergelijken we wellicht het best met de beschaving in Oud Sumerië. Indien wetenschappers het hebben over beschaving gaan ze zeker nooit verder terug in de tijd dan 4.000 v.Chr. In ons verhaal gaan we terug tot minstens 16.000 v.Chr. en nog véél verder zelfs. Archeologen gaan dit dus nooit willen aanvaarden, maar, laten we eens nader bekijken hoe zij de koningen uit de Sumerische koningslijst inpassen in het tijdperk na de zondvloed die volgens hen omstreeks 2.900 v.Chr. heeft plaats gevonden.

De Sumerische koningslijst na de zondvloed.

Bijgevoegde koningslijsten zijn een zo correct mogelijke weergave met commentaar zoals de meeste archeologen het nu zien. Persoonlijk vinden we versie [1] de meest overzichtelijke.

De eerste versie [1] van de koningslijst:
De préhistorie wordt gedateerd van max. 4.000 v.Chr. tot aan de zondvloed, dit is een periode van max. 1.000 jaar omdat de zondvloed geplaatst wordt tussen 3.000 à 2.900 v.Chr. Na de zondvloed regeerden alle koningen steeds in de stadstaat Kish.
 
De mythische koningen - worden als mythisch beschouwd en worden dus niet geteld als koningen die echt bestaan hebben, ze worden daarom niet gedateerd in de koningslijst.
De vroege dynastieën I. - van 3.000 tot 2.800 v.Chr., deze lijst stopt bij Etana (dit is de eerste bewezen historische koning).
De vroege dynastieën II.- van 2.800 tot 2.440 v.Chr., deze lijst bevat grotendeels historische koningen en stopt bij de koning Aga uit de stadstaat Kish en deze periode valt samen met deze van Gilgamesh uit de stadstaat Uruk (ca. 2.680 v.Chr.).

De tweede versie [2] van de koningslijst:
In deze koningslijst lezen we dat na de zondvloed, nadat de goden uit de hemel waren neergedaald, het koningschap werd gevestigd in Kish. Vanaf hier begint de lijst met koningen die gaat tot aan Aga uit Kish (eerste dynastie van Kish) of gelijktijdig ook tot aan Gilgamesh uit Uruk (eerste dynastie van Uruk). Alle regeerperioden van deze koningen opgeteld komt men aan een lengte van 18.000 jaar. Van de periode vóór de zondvloed wordt vermeld dat deze vóór 2.900 v.Chr. kwam en zou kunnen overeenkomen met de Jemdet Nasr periode (vroeg brons) maar deze zou zeker niet eerder dan 3.500 v.Chr. begonnen zijn.

De drie perioden uit de 1é koningslijst worden in de 2é lijst samengenomen als "De eerste dynastie van Kish". Dit wordt gedateerd vanaf de zondvloed in 2.900 v.Chr. tot aan Aga uit Kish en Gilgamesh uit Uruk in 2.600 v.Chr., dit is een periode van 300 jaar. Indien we van alle koningen hun regeerperiode samentellen komen we uit op 18.000 jaar, zelfs indien we veronderstellen dat het om maanjaren zou gaan (grofweg 30 dagen) dan nog komen we uit op 1.500 jaar, de voorziene periode telt slechts 300 jaar.
 
De chronologie opstellen voor de Sumerische koningen is wellicht één van de moeilijkste taken die er bestaan, meerdere stadstaten leefden naast elkaar en iedere stadstaat had zijn eigen koningen. Het moet zeer moeilijk zijn om uit te maken wie regeerde en in welke periode. Toch vinden we die 300 jaar veel te weinig om al die koningen in onder te brengen. Volgens de koningslijst zijn Aga van Kish en gelijktijdig Gilgamesh van Uruk de allerlaatste met een vrij lange regeerperiode, vóór hen vinden we perioden terug gaande van 126 jaar voor Gilgamesh tot perioden van 1.200 jaar. Hij (zie het epos van Gilgamesh) zou een halfgod geweest zijn die kort na de zondvloed leefde (zondvloed hier gedateerd op 2.900 v.Chr.). Na Gilgamesh worden de regeerperioden plots véél korter. Vanaf Gilgamesh zal de chronologie wel sluitend opgesteld zijn, daar moet geen twijfel over bestaan. Het probleem zit hem vóór die regeerperiode, daar is iets wat niet klopt.

Twee speciale data, 14.345 v.Chr. en 3.113 v.Chr.
Wij houden het op 14.345 v.Chr. voor de zondvloed. Wat nu in de koningslijsten bestempeld wordt als de zondvloed in 2.900 v.Chr. zien wij als iets anders, we denken eerder aan een afstraffing van de halfgoden en dateren dit omstreeks 3.113 v.Chr. We krijgen de indruk dat omstreeks die tijd de halfgoden grotendeels werden uitgeroeid door de goden.


Bouwwerken van vóór de zondvloed in 14.345 v.Chr.

In hoofdstuk 11 hebben we reeds trachten aan te tonen dat er over de gehele wereld sites bestaan die een niet direct verklaarbare oriëntatie hebben. Die tempels en piramiden zijn vast maar een paar duizend jaar oud, wij beweren dat die echter gebouwd of herbouwd werden op véél oudere funderingen. We zijn in feite op zoek naar die oude funderingen of ruines, zo zijn er wellicht véél meer dan we op het eerste zicht zouden vermoeden.


1- Midden Amerika.

Het mooiste voorbeeld is de laan der doden (met piramiden) in Teothuacan, Mexico. Het dorp vlakbij is Teotihuacán de Arista en ligt op zo’n 40 km ten NO van Mexico City. Locatie 19°41’ N – 98°50’ W - - Oriëntatie laan der doden = 15,5° NO. Langs de dodenlaan staan onder andere de piramide van de zon, de piramide van de maan, de citadel en de piramide van Quetzalcoatl. Alle piramiden en tempels langs deze laan volgen perfect dezelfde 15,5° NO oriëntatie.


dodenlaan
De dodenlaan 15,5° NO, gericht op de vroegere noordpool?

Het basisplan en de eerste tempels werden vóór de zonvloed in 14.345 v.Chr. gebouwd. De 15,5° NO oriëntatie wijst naar de geografische pool uit het derde tijdperk (51,5°N en 89°W) en de eerste bouwwerken die daar werden opgetrokken zijn minstens 16.345 jaar oud. Steeds weer zijn die eerste piramiden groter en hoger gemaakt, de buitenste mantel van die piramiden dateren uit een veel later tijdperk toen de noordpool al lang op zijn huidige plaats stond. Deze site heeft haar originele oriëntatie behouden. De tempel (piramide) van Quetzalcoatl is een van de best bewaarde archeologische monumenten van Midden-Amerika omdat het oorspronkelijke préhistorische bouwwerk onder een andere, jongere ophoging was begraven. Ook de piramide van de zon werd in meerdere stadia gebouwd, een nieuwere piramide werd bovenop de oudere gebouwd. [3]

[Graham Hancock]- "In de jaren zestig en zeventig van de 20é eeuw werden de mathematische verhoudingen van de dodenlaan en de piramiden, zoals hun grootte en hun onderlinge afstand tot elkaar, ter plekke opgemeten en bestudeerd door Hugh Harleston jr., een in Mexico woonachtige Amerikaanse ingenieur. Wat het onderzoek van Harleston aantoonde, was dat er een ingewikkelde mathematische relatie bestond tussen de belangrijkste bouwwerken rond de straat der doden (en ook die daarbuiten). Deze relatie duidde op het buitengewone feit dat Teotihuacan wellicht was ontworpen als een schaalmodel van ons zonnestelsel.[GH] [3]

Indien we er rekening mee houden dat de straat der doden op de vroegere noordpool gericht staat, zou het dan kunnen dat dit een afbeelding is van de ramp die er te gebeuren stond? Is er daar nergens een piramide, tempel of heuvel te vinden die model stond voor Nibiru?

2 – Sumerië.
[Zecharia Sitchin] “Omstreeks 1930 heeft een gezamenlijke expeditie van de universiteit van Pennsylvania en het Oriental Institute van de universiteit van Chicago tijdens een aantal jaren graven de tempel van Enlil in het heiligdom van Nippur blootgelegd. Archeologen vonden er vijf verschillende bouwperioden tussen 2.200 en 600 v.Chr. De laatste lag ongeveer 6 meter boven de eerste. Nog oudere tempels, volgens de verslagen van de archeologen, moesten nog opgegraven worden. Ze meldden ook dat de verschillende tempels exact boven elkaar, op hetzelfde grondplan, waren gebouwd. De plicht om de “oude grondplannen” te volgen stond duidelijk op een oude inscriptie die gevonden is in de ruïne van een herbouwde tempel in Nineve, de hoofdstad van Assyrië. Daarin meldde de Assyrische koning dat hij voldaan had aan de heilige eis”. [Zecharia Sitchin] [4]

De oriëntatie voor deze tempels en ziqqurat’s hebben we niet opgezocht, veruit het belangrijkste om te onthouden is het steeds vergroten en uitbreiden van tempels door een nieuwe bovenop de oude te bouwen.

  
3 - Egypte.
Hoe zit het dan in Egypte? We geloven stellig dat ook daar nieuwe tempels werden gebouwd of herbouwd op de funderingen van veel oudere gebouwen, mogelijks werden ook daar nieuwe tempels bovenop oudere gebouwen opgetrokken.   

Over Rostau (dit was de archaïsche naam voor de necropolis van Giza) hangt nog steeds een waas van geheimzinnigheid die duizenden jaren ouder is dan Cheops, Chefren en Mycerinus, zijnde de bouwers van de drie grote piramiden op het rotsplateau van Giza. Hier gaan de herinneringen nog véél verder terug in de tijd, zelfs tot Osiris en Isis. Hier is de plaats waar de mythen uit de préhistorie zijn ontstaan.

In de Egyptische mythologie bestond het pantheon uit negen goden (enneade van Heliopolis). Heel bondig uitgelegd stond Atoem (of Atoem-Re) aan het hoofd van de enneade, hij schiep Tefnut en Sjoe. Dit paar schiepen op hun beurt Geb en Noet. Noet, de godin van het hemelgewelf baarde Osiris, Isis, Seth en Nefthys. Dit waren de eerste goden die in menselijke gedaante (antropomorf) op aarde leefden. Osiris en Isis werden verenigd en werden het eerste goddelijke paar dat over Egypte regeerde. Isis was dus de zus van Osiris maar tevens zijn echtgenote. Dit is de belangrijkste mythe in het oude Egypte. Osiris en Isis kregen één zoon, Horus genaamd. Seth en Nefthys, ook broer en zus, vormden eveneens een paar.

De inventarisstèle, ook de droomstèle genoemd.
In de 19é eeuw ontdekte de Egyptoloog Auguste Mariette een inventarisstèle tussen de poten van de sfinx. Deze stèle werd omstreeks 1400 v.Chr. opgericht door Thoetmosis IV, een farao uit de achttiende dynastie. Ten tijde van deze farao was de sfinx tot aan zijn nek bedolven onder het zand, hij liet de sfinx uitgraven en plaatste de stèle om van zijn werk te getuigen. Die stèle zelf dateert uit de tijd na Cheops en is zeer omstreden, toch kan dit wél een inventaris zijn van wat er stond lang voor Cheops op het toneel verscheen. Uit deze stèle zou blijken dat de daltempel “van Chefren” alsook de sfinx reeds bestond ten tijde van zijn voorganger Cheops en toen al onvoorstelbaar oud waren. De daltempel werd niet toegeschreven aan Chefren maar zou zijn neergedaald in de “eerste tijd” en zou het werk geweest zijn van de goden die zich in de Nijlvallei hadden gevestigd. De daltempel werd bestempeld als het huis van Osiris, de heer van Rostau. Nog volgens die sfinxstèle was Isis meesteres van de grote piramide.

Egyptologen verwijzen naar deze als de “droomstèle” van Thoetmosis IV omdat daar ook een droom op beschreven staat die deze farao zou gehad hebben toen hij onder de sfinx was in slaap gevallen. Volgens Auguste Mariette en Maspero was deze stèle van groot belang en zij geloofden dat de sfinx en de daltempel al zeer oud waren ten tijde van Chefren. Tegenwoordig wordt dit door de hedendaagse Egyptologen verworpen, zij gaan er zonder meer van uit dat de sfinx, de daltempel en de tweede piramide gebouwd werden door Chefren.


De Osiris Schacht en Osiris graftombe.
Ook de hedendaagse Egyptologen brengen Osiris in verband met het Giza plateau, zeker wat de Osiris schacht betreft.[5] Onder de verbindingsweg van de daltempel naar de piramide van Chefren is er een passage, doorgaans wordt dit als een doorgangstunnel beschouwd die zou gediend hebben voor de werklieden die indertijd aan de piramide werkten. Deze tunnel laat toe onderdoor de verbindingsweg te passeren en zo werd vermeden dat arbeiders telkens over de hoger gelegen verbindingsweg moesten klimmen. In die doorgang zelf is een schacht die door de rotsbodem afdaalt en uitmondt in een ondergrondse kamer in de rotsen (1é niveau). Van daaruit kan men nog verder afdalen in een andere ondergrondse ruimte (2é niveau), in deze ruimte werden 6 nissen in de wanden uitgehouwen en in twee ervan staat een rood granieten sarcofaag die omstreeks 600 v.Chr. gedateerd worden. Vanaf het 2é niveau, in een nis waar géén sarcofaag staat daalt er een schacht af naar een nog lager gelegen ruimte (3é niveau). Het onderste niveau, dat zich op een diepte van zo’n 25 meter bevindt, staat vol water en werd in het recent verleden gebruikt als waterput en zelfs als zwembad.

Die ondergrondse ruimte was al in 1935 bekend en onderzocht door Prof. Selim Hassan. Het derde niveau stond in die tijd ook al onder water en zelfs na dagen pompen zakte het waterniveau weinig of niet, deze kamer kon indertijd dus niet onderzocht worden. In 1998 werd de Osiris schacht opnieuw onderzocht door Dr. Zahi Hawass, directeur van de Giza piramiden en de Sakkara sites. Op het derde niveau vond hij een lege sarcofaag en noemde dit een symbolische tombe van Osiris. Het onderste (3é) niveau wordt verondersteld te dateren uit het nieuwe koningrijk omstreeks 1550 v.Chr. en dit gebaseerd op de gedane vondsten. Omdat het onderste (3é) niveau gelijkenis vertoont met het Osirion in Abydos spreekt Dr. Hawass ook over het Osirion van Giza. Omdat Osiris volgens de egyptologen een mythische god was kan er dus geen sprake zijn van stoffelijke resten of van een mummie, er kon dus enkel een symbolisch graf gemaakt worden voor Osiris. Er is blijkbaar geen mens die gelooft dat er werkelijk halfgoden, in menselijke gedaante, op aarde geleefd hebben.

Cheops, Chefren, Mycerinus, de bouwers van de Grote Piramiden.
Het zal iedereen ondertussen wel bekend zijn dat egyptologen er vast van overtuigd zijn dat de drie grote piramiden gebouwd werden door de bekendste farao’s uit de vierde dynastie. Egyptologen hebben bepaald dat de piramide van Cheops omstreeks 2550 v.Chr. zou gebouwd zijn, daarna werd de piramide van Chefren opgetrokken en nadien deze van Mycerinus (de drie farao’s worden gedateerd tussen 2575 en 2467 v.Chr.).

Andere wetenschappers, pseudo-wetenschappers en uiteraard SF’ers zijn het daar niet mee eens en plaatsen de piramiden meestal omstreeks 10.600 v.Chr. Het zal iedereen wel voldoende bekend zijn waar die datum vandaan komt, deze speelt ons al jaren lelijke parten en zelfs tot op heden zijn we nog steeds in de ban van dat “magisch” getal met als gevolg dat we daardoor nog steeds blunders van formaat produceren.

 

Verhalen uit de oude geschriften.

Herodotos [6] (omstreeks 460 v.Chr.). Volgens Herodotos werd de grootste piramide gebouwd door Cheops (Chufu), alleen al de bouw van de opgaande weg en de ondergrondse grafkamers duurde 10 jaar. De piramide zelf werd in 20 jaar voltooid (dit is in totaal een bouwperiode van 30 jaar). Egyptische bronnen vermeldden dat Cheops 50 jaar aan de macht is geweest en daarna opgevolgd werd door zijn broer Chefren (Chafre). Deze farao regeerde zesenvijftig jaar en heeft de 2é piramide gebouwd. De volgende koning was Mycerinus (Menkaure), dit zou een zoon van Cheops geweest zijn, hij bouwde de derde en kleinste piramide. Herodotos geeft niet echt data voor de bouw maar plaatst deze drie farao’s uit de vierde dynastie verkeerdelijk nà Ramses III uit de twaalfde dynastie (ca 1200 BC).    

Diodorus van Sicilië [7] (omstreeks 50 v.Chr.). Volgens Diodorus  was Chemnis (Cheops) de achtste koning uit Memphis. Hij regeerde 50 jaar en bouwde de grootste van de drie piramiden in een periode van 20 jaar. Na zijn dood volgde zijn broer Cephren hem op (Chefren, Chafre). Diodorus zegt er wél bij dat anderen beweerden dat niet zijn broer Cephren de troon in bezit nam maar wel Chabryes, de zoon van Cheops. Volgens Diodorus was het hoe dan ook zeker de opvolger van Cheops die de tweede piramide bouwde. Nadien kwam Mycerinus (Menkaure) aan de macht en bouwde de derde piramide, de farao stierf nog voor de bouw van zijn piramide beëindigd was. Voor het tijdstip van de bouw geeft Diodorus twee data op, namelijk 1050 v.Chr. en 3450 v.Chr. (omgerekend vanaf  Diodorus in 50 v.Chr.).

Tussen de bouw van de piramiden en de tijd dat Herodotos deze verhalen te horen kreeg zat reeds 2000 jaar verschil, het was toen ook al niet heel duidelijk meer door wie en wanneer de piramiden gebouwd werden. Weer 500 jaar later, in de tijd van Diodorus, was het verhaal weeral enigszins gewijzigd. Diodorus maakt dezelfde fout als Herodotos en ook hij plaatst de farao’s uit de vierde dynastie (2550 BC) na Ramses III uit de twaalfde dynastie (ca 1200 BC).
De tweede datum die hij vermelde moet de correcte datum zijn en klinkt ons als muziek in de oren, 3450 v.Chr. als datum voor de bouw van Cheops piramide is véél correcter dan de data die archeologen ons voorhouden (2.550 v.Chr.), dat zal later nog duidelijk worden. Trouwens is er, voor zover we weten, géén enkele schrijver uit de oudheid die de datum 2.550 v.Chr. ooit vernoemd heeft.


Al-Maqrizi - Het piramidehoofdstuk uit de Khitat (Hitat).

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Al-Maqrizi

From Wikipedia, the free encyclopediahttp://en.wikipedia.org/wiki/Al-Maqrizi

Taqi al-Din Ahmad ibn 'Ali ibn 'Abd al-Qadir ibn Muhammad al-Maqrizi (1364 - 1442).
He was an Egyptian historian more commonly known as al-Maqrizi or Makrizi. Although he was a Mamluk-era historian and himself a Sunni, he is remarkable in this context for his unusually keen interest in the Ismaili Fatimid dynasty and its role in Egyptian history.

Most of his works are concerned with Egypt. The most important is the Mawaiz wa al-'i'tibar bi dhikr al-khitat wa al-'athar (2 vols., Bulaq, 1854), translated into French by Urbain Bouriant as Description topographique et historique de l'Égypte (Paris, 1895-1900; compare A. R. Guest, "A List of Writers, Books and other Authorities mentioned by El Maqrizi in his Khitat," in Journal of the Royal Asiatic Society, 1902, pp. 103-125).
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De Hitat (Khitat) staat online op het internet en de website ziet er héél mooi uit. Klein detail misschien, de website is in het Arabisch en … we begrijpen er dus niets van. Wij dwepen steeds met schrijvers uit de oudheid zoals Herodotos, Diodorus etc., deze historici hebben het echter alleen van horen zeggen. Wij van onze kant zijn niet vertrouwd met Arabische geschriften omdat ze voor ons niet zo toegankelijk zijn. Feit is echter dat Arabische historici konden beschikken over ontelbare oude, zeer belangrijke documenten. We zijn er spijtig genoeg jaren aan voorbij gegaan zonder er de nodige aandacht aan te schenken.

De auteur Erich von Däniken is slimmer geweest en heeft daar wél de nodige aandacht aan besteed. Als we schrijven dat we de teksten in de Hitat hebben gevonden is dat eigenlijk niet correct, al de passages die we nodig hadden werden ons kant en klaar opgediend in zijn boek “De ogen van de sfinx”. Het is ons zelfs tot op heden nog niet gelukt een Duitse of Franse vertaling van de Hitat op de kop te tikken om de teksten te verifiëren, maar dat komt vast nog wel in orde. In feite is dit éne boek van Erich von Däniken alleen al voldoende om het mysterie omtrent de grote piramiden op te lossen, we hoeven niet veel meer te doen dan de passages uit zijn boek in een andere volgorde op te dienen. Laat ons hopen dat hij het ons vergeeft dat we zijn boek bijna helemaal overschrijven.

[Erich von Däniken] [8] Omstreeks 1360 n.Chr. bracht de Arabische geschiedschrijver Ahmed Al-Makrizi al het beschikbare materiaal over de piramiden bijeen en publiceerde dit in het piramidehoofdstuk van zijn Hitat. Dat beschikbare materiaal bestond uit oude Arabische en Koptische handschriften die zich in de veertiende eeuw nog in de bibliotheken van Caïro bevonden. [EvD] We halen hier slechts twee passages aan uit de Hitat die we vonden in het boek “De ogen van de sfinx” en die we echt nodig hebben. Het hele verhaal kunt u desgewenst nalezen in het boek zelf. Beide passages zijn op het eerste zicht zeer tegenstrijdige verhalen over de vermeende bouwers van de grote piramiden en de datering ervan.

Verhaal 1: Koning Saurid.
[Erich von Däniken] Passage uit de Hitat door auteur Al-Maqrizi:

“De grote piramiden zijn de drie die tot op de huidige dag tegenover Misr (Caïro) staan. Men is het over het tijdstip van de bouw, de naam van de bouwer en de reden voor de bouw niet eens. Hierover bestaan de meest uiteenlopende meningen, die echter meestal onjuist zijn. Uit de kennis hierover zal ik, als de verheven God het wil, datgene berichten wat een afdoend antwoord geeft.”

“Koning Saurid, de zoon van Sahluk, een van de koningen van vóór de zondvloed zetelden in de Egyptische stad Amsus. Saurid was de bouwer van de beide grote piramiden bij Misr. De reden voor de bouw van de twee piramiden was dat Saurid driehonderd jaar voor de zondvloed de volgende droom had: De aarde draaide zich met haar bewoners om, de mensen vluchtten in blinde haast en de sterren stortten neer. De koning vroeg de wijzen of Egypte na de zondvloed weer bewoonbaar zou zijn. Toen dat bevestigd werd, besloot hij een piramide te bouwen om alle menselijke kennis van dat moment voor het nageslacht te bewaren.”

“Ook zijn raadgevers en waarzeggers werden door afschuwelijke dromen geplaagd. Het einde van de beschaving leek nabij. “De hemel opende zich, een stralend licht werd zichtbaar …. en uit de hemel daalden mannen neer die ijzeren knotsen in hun hand hadden en daarmee op de mensen insloegen.”

“Toen koning Saurid ben Sahluk was gestorven, werd hij in de oostelijke piramide begraven, maar Hugib in de westelijke en Karuras in de piramide die van onderen uit Aswanstenen en van boven uit Kaddanstenen bestaat. Deze piramiden hebben ondergrondse poorten die elk toegang geven tot een gewelfde gang. Iedere gang is honderdvijftig el lang. De poort van de oostelijke piramide ligt aan de noordzijde, die van de westelijke piramide aan de westzijde, en de poort van de gewelfde gang in de met wandbekleding versierde piramide ligt aan de zuidzijde.”             

Op de top van de piramide liet koning Saurid de volgende tekst aanbrengen:
“Ik koning Saurid ….heb de piramide in zes jaar voltooid, wie na mij komt en denkt dat hij een koning is zoals ik, die mag haar over zeshonderd jaar vernietigen. Vernietigen is gemakkelijker dan opbouwen, dat is bekend. Ook heb ik de piramide met brokaat gestoffeerd. Hij mag haar met matten bekleden….”

De man (niet Al-Maqrizi maar de vertaler van de originele Koptische tekst) die deze tekst uit het Koptisch in het Arabisch vertaalde telde alle data op, tot aan de zonsopgang van de eerste dag van Thot, dat was een zondag, in het jaar 225 van de Arabische tijdrekening, en kwam op een totaal van 4.321 zonnejaren. Toen hij daarna uitrekende hoeveel tijd er sinds de zondvloed tot aan deze dag was verstreken, kwam hij uit op 1.741 jaar…Deze uitkomst trok hij van de vorige af, waarna er 399 jaar…overbleef. Daaruit concludeerde hij dat deze gedateerde tekst ….zoveel jaren voor de zondvloed moest zijn geschreven. [EvD]

Verhaal 2: De Bijbelse Noach. (Hitat hoofdstuk 33).
[Erich von Däniken] Passage uit de Hitat door Al-Maqrizi:
 
”Er zijn mensen die zeggen: “De eerste Hermes, die in zijn hoedanigheid van profeet, koning en wijsgeer de “Drievoudige” werd genoemd (hij die de Hebreeërs Henoch, de zoon van Jared, de zoon van Mahalel, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam – zijn naam zij geheiligd – noemen, is dus Idris), las in de sterren dat de zondvloed zou komen. Daarop liet hij de piramiden bouwen en bracht daar grote schatten, geleerde teksten en alles wat niet mocht verloren gaan, in onder, om het te beschermen en goed te bewaren.” [EvD]

In de Hitat wordt koning Saurid uit verhaal 1 gelijk gesteld aan Henoch (alias Hermes, alias Idris) uit verhaal 2. Henoch is een Bijbelse figuur uit het boek Genesis in het oude testament, hij zou dus kunnen begraven liggen in de grote piramide.

Het ziet er dus naar uit dat er in de Hitat ook al geen eenduidigheid bestaat in verband met de bouwers van de piramiden noch van het tijdstip waarop dat zou gebeurd zijn. Indien Henoch die piramiden heeft laten bouwen en in een ervan begraven werd dan moet dit vele duizenden jaren geleden zijn geweest. Hoe is het dan mogelijk dat er in de grote piramide een paar Cartouches met daarin de naam van Cheops werden ontdekt? Waar moeten Cheops, Chefren en Mycerinus dan geplaatst worden op de tijdlijn? Egyptologen hebben toch nauwkeurig de volgorde van de farao’s kunnen vastleggen? Waarom blijkt dan uit de inventarisstèle van Thoetmosis IV dat de daltempel van Chefren en de sfinx al zeer oud waren ten tijde van Cheops? Waarom wordt Isis de meesteres van de grote piramide genoemd en niet Cheops?

Egyptologen dateren de drie piramiden, de daltempel en de sfinx omstreeks 2550 v.Chr., zij hebben harde argumenten om aan te tonen dat ze het bij het rechte eind hebben. SF’ers en pseudo-wetenschappers draaien alles terug in de tijd tot omstreeks 10600 v.Chr. en denken dat de Egyptologen er glad naast zitten, ze hebben echter géén enkel bewijs voor die datering. Hoe komt het nu toch dat er zo’n grote verschillen in meningen kunnen bestaan?

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Henoch, evenzeer een voorvader van de moslims.
Archeologen, zeker indien ze van Egyptische afkomst zijn, kunnen zich best boos maken als SF’ers of pseudo-wetenschappers de hoogstaande beschaving van het antieke Egypte aan “aliens” of aan inwoners van het imaginaire verdronken Atlantis toeschrijven. Ze hebben groot gelijk indien ze dit als een belediging van hun eigen volk beschouwen. Het antieke Egypte heeft géén hulp nodig gehad van buitenstaanders, integendeel.      
 
Hoe zit het dan als er wordt beweerd dat Henoch, een Bijbels figuur uit het oude testament, een van hun voorouders zou kunnen geweest zijn? Wel, dit kan geen probleem zijn omdat de Islam evenzeer in het oude testament gelooft en aanvaard als dat het geval is voor ons geloof.

Het Islam geloof.
De Islam is ontstaan in de 7é eeuw. Volgens moslims ontving de profeet en boodschapper Mohammed via de aartsengel Gabriël openbaringen van God, waarin hij werd opgeroepen het geloof van Adam en Abraham opnieuw te introduceren. Voor moslims is de Islam dan ook de oorspronkelijke religie zoals geopenbaard aan Abraham, Mozes, Jesus en andere islamitische profeten. Voorgaande profeten, zoals Mozes en Jezus werden naar één volk gestuurd, terwijl Mohammed als profeet van alle volkeren wordt beschouwd. De Koran verwijst veelvuldig naar verhalen over de profeten uit de Thora en de Bijbel, zoals Mozes en Jezus, maar ook Maria wordt veelvuldig genoemd. (Bron Wikipedia  http://nl.wikipedia.org/wiki/Islam )

------------------------------------------------------------------

Verwijzingen bij hoofdstuk 13.

[1] – Sumerische Koningslijst.
        http://www.geocities.com/garyweb65/prehist.html

[2] – Sumerian Kings List.
        http://en.wikipedia.org/wiki/Sumerian_king_list

[3]Hancock, Graham.
        In zijn boek  “Het ontstaan en het einde van alles”.
        
[4]Sitchin, Zecharia.
        In zijn boek “De eerste tijd” – uitgeverij Tirion, Baarn, NL
        ISBN 90 – 5121 -747 - 1
        Originele titel “When Time Began”.

[5] - Voor verdere info ivm de Osiris Shaft zie onderstaande links:
        http://guardians.net/hawass/osiris1.htm
        http://www.towers-online.co.uk/pages/shaftos1.htm

[6] -  Herodotos – Het verslag van mijn onderzoek.
         Uitgeverij SUN – 2é druk 1995 – ISBN 90 6168 442 0
         Boekdeel 2 – 127 pagina 186 en verder.

[7] - Diodoros van Sicilië (Diodorus Siculus).
        Diodorus Of Sicily – The Library Of History – Books I - II.34
        Grieks – met een Engelse vertaling van C. H. Oldfather.
        Harvard University Press – London.    ISBN 0-674-99307-1
        Boek I / 63 pagina 215.
        http://nl.wikipedia.org/wiki/Diodoros_van_Sicili%C3%AB

[8]Däniken, Erich von
        In zijn boek “De ogen van de sfinx“
        A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij BV  1990
        ISBN 90-218-0192 – 2
            

Home